width and height should be displayed here dynamically

De vuurwerkjongen

Ik weet wat het is om kind te zijn. Ik weet daarentegen niet goed wat het is om ouder te zijn. Ik heb geen kinderen. Ik heb in mijn theaterteksten veel over mijn ouders geschreven, maar nooit over mijn kinderen. Ik keek, als ik iets ging maken, vaker achterom dan dat ik vooruit keek, denk ik. Mijn opvoeding en ouders zijn zo vaak onderwerpen voor mij geweest, dat je bijna zou kunnen zeggen dat ik in belangrijke mate ben gemaakt door de beschrijvingen van mijn herinneringen aan mijn kindertijd. Als ik ergens over nadenk, als ik aan een tekst werk, als ik op een podium sta, doe ik dat in zekere zin nog altijd als kind. Zelfs in mijn zogenaamd volwassen stukken, die over politiek, over artistiek-inhoudelijke zaken gaan, is dat de startpositie – die van een kind. Ik weet niet wat daarvan exact de invloed is, maar ik sluit niet uit dat het ervoor zorgt dat ik me altijd wat onverantwoordelijk heb durven opstellen, dat het me min of meer de toestemming gaf de grenzen op te zoeken – ook bij het prijsgeven van bekentenissen – om uiteindelijk altijd te worden gered en te worden vergeven. Misschien zorgt het ervoor dat ik denk dat het allemaal een spel is, dat het allemaal een spel was. Ik sluit dat niet uit.

Een gebied waarin ik ouder kan zijn – wat ik soms vurig wens – en waarin ik mijn eventuele vormende of opvoedende capaciteiten zou kunnen tonen en inzetten, is het gebied waaraan mijn leven in belangrijke mate is gewijd: de podiumkunsten. Het gebied ook dat er deels voor heeft gezorgd dat ik geen kinderen heb. Ik zeg met nadruk ‘deels’, want er zijn meerdere redenen waarom ik kinderloos ben. De wensen en verlangens van de partners met wie ik samen was natuurlijk, de leefomstandigheden op bepaalde momenten in mijn leven, de financiën, de grilligheden van het leven zelf; ze hebben er bij elkaar meer voor gezorgd dat ik geen kinderen heb dan mijn passie voor de kunst. Toch laat ik die aspecten in deze tekst onderbelicht, ook omdat kunst en kinderen zich in mijn leven lange tijd wel degelijk als twee onverenigbare grootheden presenteerden, wat veel invloed heeft gehad op mijn keuzes en beslissingen. En daarover heb ik de laatste tijd spijt. Dat zal met mijn leeftijd te maken hebben, met een nog groter wordende geneigdheid tot terugblikken, misschien met de kunsten zelf of met de wereld, maar ik heb de laatste tijd het gevoel dat ik het, door voor de kunst te kiezen, misschien toch – tja – verkeerd heb gedaan.

 

Er zijn een paar beelden uit mijn jeugd waarvan ik me herinner dat ik, toen ik ze voor het eerst zag, toen ze zich voor het eerst aan me voordeden, me meteen afvroeg of ze me blijvend zouden achtervolgen, of ik met ze te maken zou blijven krijgen. Blijkbaar kan dat: al op jonge leeftijd een gevoeligheid, een vermoeden ontwikkelen voor wat je later mogelijk parten speelt, voor wat je onderwerpen zullen worden, je gevechten. Beelden van dronken mensen horen in die categorie thuis. Ik heb altijd met afschuw, maar ook met nieuwsgierigheid, ja zelfs met verlangen gekeken naar de mannen en vrouwen die op de stoep voor de cafés uit mijn jeugd lagen of over straat strompelden, en waar wij als kinderen dan lachend en lallend, bijna oefenend achteraan liepen.

Een ander beeld dat ik me ook al lang herinner en dat eveneens regelmatig terug blijft keren, is dat van een buurjongen die op oudejaarsavond om halfeen ’s nachts met twee plastic tassen vol niet-afgestoken vuurwerk buiten in de regen staat. Alleen. Een beeld waar ik vanuit de woonkamer samen met mijn vader naar keek en waarvan ik me herinner dat mijn vader zei: ‘Daar sta je dan.’ De eenzaamheid van het tot in de puntjes toegerust en voorbereid zijn voor een gebeurtenis waarin plotseling niemand meer is geïnteresseerd; ik ben er blijkbaar ergens altijd bang voor geweest. En die angst lijkt zelfs toe te nemen. Misschien komt dat doordat ik me tegenwoordig voor het eerst in mijn leven werkelijk toegerust voel voor een doorgifte, voor overdracht, en ik op hetzelfde moment bang ben dat er steeds minder jonge mensen nieuwsgierig zijn naar mijn voetzoekers en zevenklappers, dat iedereen al lang en breed op andere oudejaarsfeestjes uithangt, dat mijn vuurwerk nat begint te regenen. Misschien is het een van die genadeloze levenswetten dat op het moment dat je denkt dat je iets onder de knie hebt, er weinig behoefte meer is aan je vaardigheid.

De angst die het beeld van de vuurwerkjongen oproept gaat natuurlijk niet over vuurwerk, maar over de overbodigheid van decennialang vergaarde (kunst)kennis, van sociale netwerken en intellectuele referenties, van vaardigheden, van cultureel kapitaal – van twee volle plastic tassen met doorwrochte, witte, cismannelijke postmodernistische theater-, kunst- en literatuurgeschiedenis. En natuurlijk kondigden de veranderingen in de kunsten zich onder invloed van de jongste emancipatiebewegingen al een tijdje aan en was ik me wel degelijk bewust van de terechte oproep aan mijn leeftijds- en gendergenoten om een genereus en vooral niet rancuneus antwoord op dit verlies aan belang en prestige te formuleren. Toch is dat niet eenvoudig, merk ik. Want ondanks dat ik het inspirerend en belangrijk vind om in voorstellingen over dit fenomeen, dit patrimoniumverlies zeg maar, te schrijven en te spreken, waardoor het cultuurgoed en daarmee ook ik nog een zekere actualiteit behouden, ontloop ik daarmee de leegte van het nakende afscheid natuurlijk niet. Een leegte waarvan ik soms denk dat ze in mijn geval ingrijpender is omdat ik in mijn leven weinig alternatieven op de kunst heb ontwikkeld en geen kinderen heb. Bovendien weet ik dat die kinderen er deels niet zijn gekomen doordat ik altijd zo gefascineerd was door het vergaren van die inmiddels met de dag nuttelozer wordende credits.

‘Je doet het voor jezelf’ was lange tijd de aansporing om nog meer te investeren in je eigen persoonlijke ontwikkeling. En inderdaad: ik deed het vooral voor mezelf en werd daarmee een trouwe volger van het in de jaren tachtig van de vorige eeuw overheersende romantische kunstenaarsadagium dat voorschreef dat een gezinsleven, en in het bijzonder het ouderschap – sowieso een leven naast de kunsten – beter niet kon worden nagestreefd. Die afwijzing van de ‘normaliteit’ kon heel goed tot inhoud, tot onderwerp van je kunst, van je voorstellingen worden gemaakt. Het hoorde bij een kritische blik op de samenleving, de ouders, de leraar, de kerk, de instituten, de bourgeoisie, alle mogelijke vormen van (klein)burgerlijke dwang en autoriteit, die allemaal nog bestreden moesten worden. En nogmaals, die opvattingen hoefden je keuze om al dan niet kinderen te krijgen niet volledig te domineren. Maar ze waren er, ze rouleerden, waren belangrijk, populair en navolgenswaardig.

 

Ik denk niet dat dat oudejaarsavondbeeld is blijven hangen vanwege de verlatenheid die eruit spreekt nadat een geanticipeerd moment suprême is gepasseerd. Het ligt in het wezen van de kunst dat je werk en ideeën op een gegeven moment passé zijn, dat een poëtica, een esthetiek of een bepaald soort verlangen gewoon voorbij is. Wat ik, denk ik, vooral elke keer opnieuw confronterend vind aan de vuurwerkjongen, is dat hij zijn voorraad, zijn twee volle tassen, al zo duidelijk liet zien in de wijk in de dagen voorafgaand aan het oudejaarsavondfeest. Zijn probleem was dat hij etaleerde.

Soms ben ik bang dat ik dat ook een beetje te veel heb gedaan. Dat de vuurwerkjongen misschien voor mij voorspelde dat ook ik me wel eens te gretig en onvoorwaardelijk aan de belofte op aandacht en geluk over zou kunnen geven. In die overmoed ligt de aankondiging van een teleurstelling besloten. Want beschamender dan je ergens in vergissen is: vergeten jezelf in de aanloop te relativeren. Pijnlijker dan de misgreep is de gretigheid te hebben getoond waarmee je greep. De vuurwerkjongen en ik lieten zich kennen, toonden onze begerigheid en calculeerden geen ontsnappingen in; de vuurwerkjongen en ik waren beiden fanatiek. En misschien is het juist die bewijsdrift die me er – ik zeg het nog maar eens: deels – van heeft weerhouden om mezelf de tijd en de ruimte te gunnen voor iets anders, voor bijvoorbeeld een leven naast de kunsten, voor bijvoorbeeld het ouderschap, voor bijvoorbeeld een kind.

 

Ik was altijd al een beetje een uitslover. Ik herinner me dat toen me op de middelbare school werd gevraagd een kleine spreekbeurt te houden over drie Zuid-Amerikaanse landen en hun hoofdsteden, ik besloot voor de volgende ochtend meteen maar even alle landen en alle hoofdsteden van Zuid-Amerika uit mijn hoofd te leren. Er heeft altijd iets aantrekkelijks in de overdaad gezeten. Maar ik had toen natuurlijk ook al kunnen zien dat de extra inspanningen niet altijd op prijs werden gesteld. Het had me toen ook al kunnen zijn opgevallen dat die waslijst de docent en m’n klasgenoten een ongemakkelijk gevoel bezorgde. Toen had ik al de gevoeligheid kunnen hebben om in te zien dat met het kortaffe complimentje eveneens het signaal werd gegeven dat men naast mijn inspanningen graag wat meer relativering had gezien, wat zelfspot en ironie. Waarom wist ik destijds niet dat er andere, belangrijkere dingen in de wereld bestaan dan alle landen en hoofdsteden van Zuid-Amerika bij elkaar?

In de kunsten blijft overdreven hard werken in combinatie met een flinke dosis bewijsdrift een instelling die je vaak aantreft. De waardering ervoor is ambigu. Je kunt er maar beter niet al te openlijk op oudejaarsavond mee buiten gaan staan. Ze botst met de vraag naar deconstructie, recalcitrantie en aangeboren talent. Het ongewisse, het onduidelijke en subjectieve over wat in de kunsten precies de kwaliteitscriteria zijn, wil voor fanatici nog wel eens aanleiding zijn te proberen er objectiviteit in aan te brengen; door uitvoerig te vertellen over hoe druk ze het hebben bijvoorbeeld, hoeveel ze spelen, hoe snel de premières en deadlines elkaar opvolgen – drukte kan kwantiteit op kwaliteit doen lijken.

En toch, of juist daarom, zou ik iedereen, en met name podiumkunststudenten, blijven aanraden om aan het begin van projecten op het uitsloverige af notities te maken. Begin zo vroeg als je kunt met schrijven en laat die notities staan; het is elke keer opnieuw verbijsterend hoeveel er van je allereerste aantekeningen in je voorstellingen terechtkomen – sterker nog, hoezeer je eerste aantekeningen je voorstellingen zijn!

 

Ben ik echt een fanatiekeling? Misschien toch niet. Ik was het misschien zelfs graag wat meer geweest. Dan had ik nu wellicht minder spijt gehad van het ontbreken van kinderen. Want vooral die verbetenheid, dat ondubbelzinnige vertrouwen in de kunst, dat romantische ontbreken van Hintergedanken, van terughoudendheid en reserve, dat vervullende dus, vormde – dat werd mij ook geleerd – het meest betrouwbare argument voor het ontbreken van wensen omtrent een leven naast de kunst, voor het verlangen naar een gezinsleven bijvoorbeeld. Als je het werkelijk wilt, zo werd mij gezegd, als je ondubbelzinnig in de kunst gelooft, je geobsedeerd bent door haar mogelijkheden, door de vormgeving van jezelf en de wereld door kunst, dan zou er geen spijt hoeven zijn, geen spijt over het ontbreken van kinderen bijvoorbeeld. Dan is kunst de werkelijke levensvervulling. Dan heb je niets anders nodig.

En zo’n verwerkelijking door de kunsten bestaat wel degelijk. Ik weet dat. Ik heb haar af en toe bij me in de buurt gevoeld. Maar zeker niet voortdurend. En in ieder geval onvoldoende om dat andere gemis niet ook te hebben gevoeld. Ik kan mij afvragen of ik dat wat de kunst zo uitzonderlijk maakt wel afdoende écht en intens heb meegemaakt, wel afdoende heb doorvoeld. Ik bedoel het verbindende, de zelfinzichten die het verschaffen zou, het gezelschap dat het zou verlenen, het huis dus, de solidariteit, en ook die andere kant, het bovenzinnelijke, het transcendente, al hetgeen dus dat de monomane zoektocht en het afzien van al het verdere, zoals kinderen, rechtvaardigt.

Ik dacht tijdens het maken van kunst niet alleen maar aan het maken van kunst, maar zeker ook aan hoe het eruitzag als ik kunst maakte. Ik heb het erg druk gehad met het verwerven van een plek, met opvallen, de aandacht op mezelf vestigen. Ik herinner me dat er heel wat tijd ging zitten in de afweging of mijn aanwezigheid in de kunsten misschien toch overbodig was of zinloos. Mijn innerlijke kracht was echt niet alleen maar intrinsiek, alleen maar eigen, of wereldvreemd of naïef. Nee, mijn hardnekkigheid was zeker ook berekenend: in het werk zelf, maar beslist ook in het peilen van de impact, in gedachten en calculaties over wat er nodig is, aan inhoud, aan politieke stellingnames, aan overtuiging, aan ideeën. Terugkijkend was mijn werk, mijn eigenlijke werk, vaak vooral het poneren van een radicaal standpunt waar ik me dan vervolgens naartoe vormgaf. Ik wierp een touw om een uitstekende tak en daar probeerde ik me dan zo zichtbaar mogelijk langs naar boven te trekken, ingespannen, verkrampt, met het gezicht dicht op het touw. Want het moest wel slagen! Er moest wel iets slagen!

En daarvoor moest je overdrijven. Ik overdrijf! Dat mag nu toch wel eens worden gezegd? Want nogmaals, de waarheid is banaal: ik heb geen kinderen omdat het er gewoon niet van kwam. Sterker nog, ik ben vaak blij dat ik helemaal geen kinderen heb. Ik zei het al, ik denk dat ik zo rond mijn twaalfde voor het eerst besefte dat ik de zaken geestdriftig, overdreven, ja melodramatisch zou kunnen gaan aanpakken. En dat ik daarmee meteen ook de reflex van de schaamte op me zou laden, die van: moet dat nou? Moet dat worden gezegd?

Ook nu weer! Moet dit allemaal worden opgeschreven? Ook deze confessies kunnen me schaden. O ja? Waarom? Omdat ik denk dat er nog wel degelijk een toekomst voor me bestaat? Omdat ik denk dat ik mijn beste werk nog ga maken? Omdat zich nog grote verrassingen, kansen en paradigmawisselingen zullen voordoen? Omdat ik alsnog gevierd en beroemd zal worden, en dat met dat laatste al mijn twijfels over of ik wel de juiste keuzes heb gemaakt zullen verdwijnen? Het is natuurlijk lachwekkend, maar als ik eerlijk ben, dan denk ik dat ik inderdaad hoop dat mijn grootste succes nog gaat komen. Ik denk zelfs dat het voor mij als kinderloze nog een stukje belangrijker is dat dat alsnog gebeurt. Misschien is het een van de redenen waarom ik – heel kinderachtig – kind wil blijven, ook in de kunst, omdat alleen een kind kan zeggen: ‘Jullie hadden het beloofd! Jullie hadden het beloofd als ik het zou doen zoals jullie zeiden dat het moest!’

Het heeft – ook het overdrijven – waarschijnlijk alles te maken met de weigerachtigheid om volwassen te worden, om ouder te worden. Waar komt dat vandaan? Opvoeding? De relatie tot mijn ouders die nog leven en die mij volgen? Gaat het hier dan minstens zozeer over het bestendigen van de verhouding met hen?

Mijn vasthoudendheid: ik wil kind blijven, en het liefst wil ik me mijn leven lang voor mijn ouders verantwoorden. En voor niemand anders. Het heeft dus meer te maken met het idee dat blinde ijver juist hen – mijn ouders – moet overtuigen van mijn keuze voor een leven in de kunsten dan dat ik zelf vrij en radicaal wil kunnen nadenken over wat ik eigenlijk te zeggen heb in de kunsten. In ieder geval denk ik dat deze mogelijke schijnnoodzaak me niet alleen kind heeft gehouden, maar er eveneens voor heeft gezorgd dat op de momenten dat de grote vragen van het leven passeerden, die van het eigen kind bijvoorbeeld, ik ze al te vanzelfsprekend van de hand wees. Ik had immers al gekozen. Uiteindelijk zou je kunnen zeggen dat ik in mijn leven als kind te weinig heb nagedacht over het hebben van een kind.

Tot nu. Want nu ik meer en meer vragen toelaat over of het ‘het waard was’, nu ik de kunst durf te relativeren en gevoeliger word voor de diepte van het gevoel dat een kind geven kan, merk ik dat de kunst zich zelf ook meer in die termen, categorieën en emoties naar mij uit. Het kan stomtoevallig zijn, maar veel van wat ik de laatste tijd zie, veel van wat ik heb gelezen, veel van de gesprekken die ik voer, lijken over kinderen te gaan. En dan niet zozeer omdat de kinderen erin als passanten, als markante onderdelen van het leven voorbijkomen. Nee, ik krijg meer en meer de indruk – nogmaals, het kan aan mij liggen, aan het gemis – dat ze als het enig werkelijk dierbare worden gepresenteerd. Als wat echt de moeite waard is om voor te leven. De directheid en de diepte waarmee die band, die verbinding binnenkomt, die intensiteit laat zich naarmate ik ouder word steeds moeilijker naar mijn eigen leven en de kunst vertalen. Ik merk dat ik om iets soortgelijks te vinden, om die volheid te vinden, elke keer een soort cerebrale transformatieactie ondernemen moet, en dat die altijd maar half werkt. Het kost me steeds meer moeite om in mijn omgeving, bij mijn partner, bij de pleeg- en petekinderen, bij de studenten, de voorstellingen, het schrijven, de intensiteit van het leven in de repetities, bij de jonge mensen in ons gezelschap, een soort gelijkwaardigheid te voelen, daar een alternatief in te zien.

Terwijl toch ook veel van wat in de jaren tachtig werd gepropageerd ging om het creëren van een alternatief dat niet tot de kunst beperkt bleef. Het ging in politieke en menselijke zin om andere verbindingen, andere vormen van samenleven en samenwerken, andere manieren van leren en opgroeien – anders dan het eigen kind en het solitaire gezinsgeluk. We noemden al die inspanningen, die bouwwerken niet voor niets ‘huizen’, we zeiden niet voor niets ‘gezelschap’ tegen elkaar. Het waren constructies, alternatieven, ook voor de kinderlozen. En hoewel ik regelmatig voel dat het leven in de kunst vervullend kan zijn, merk ik dat ik toch ook wat verhard. Corona, bezuinigingen, de politiek die ons tegen elkaar uitspeelt, gevoelloze beslissingen in onze branche zelf, waar menselijkheid en care belangrijke waarden heten, maar mensen met jarenlange ervaring en engagement schaamteloos worden afgepoeierd – ze zorgen ervoor dat ik me begin te pantseren. Dat sterkt me in mijn voornemen dat ik uiteindelijk toch volwassen worden moet.

Ik merk dat ik me begin af te keren van dat romantische idee om in de kunst kind te willen blijven. Ik merk dat ik bang aan het worden ben voor teleurstellingen. Uiteindelijk moet je ouder worden. Je moet je huishouden doen. Voor het kind dat je zelf bent. Een deel van die nieuwe volwassenheid, van dat nieuwe huishouden, is dat ik merk dat ik spijt begin te krijgen dat ik altijd heb gezegd dat het zo’n uitzonderlijk medium is waarin ik werkzaam ben, omdat het zo eenmalig en vluchtig is, en dat het zo mooi is dat het allemaal verloren gaat. Ik vind de laatste tijd dat ik mijn verleden – mijn theaterloopbaan – onvoldoende heb gedocumenteerd. Terwijl ik wel weet – en dat toegeven kost me meer moeite dan ik had gedacht – dat het publiek, het applaus, de complimenten, de publicaties, de welgemeende emoties op de gezichten van de mensen die zeggen dat je hen hebt laten lachen of ontroerd, de sterren, de brieven, de uitverkiezingen voor festivals, de opsommingen in jaarlijstjes me niet zullen helpen niet eenzaam te worden. Kinderen hadden dat misschien wel kunnen doen. Maar wellicht overdrijf ik.