width and height should be displayed here dynamically

Dolgedraaide mannenfantasieën. Theweleit, Bion, Deleuze & Guattari

Mijnen installeren aan de noordelijke landsgrens om migranten buiten te houden – dat zou Franco Parisi meteen doen zodra hij de macht zou grijpen, zo zei hij als kandidaat van de Partido de la Gente tijdens het eerste presidentiële debat voor de verkiezingen van 2025 in Chili. Donald Trump startte zijn tweede mandaat als Amerikaans president met de belofte de grootste massadeportatie ooit te realiseren in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Eind oktober reageerde hij met een filmpje op grootschalig protest in Amerika onder de noemer No Kings (met meer dan vijf miljoen betogers in meer dan tweeduizend gemeenten, volgens de organisatoren): vanuit een vliegtuig genaamd King Trump laat de president een gigantische stroom excrementen op de massa los. In dezelfde maand opperde Geert Wilders, lijsttrekker van de Nederlandse PVV, tijdens een televisiedebat dat het beter zou zijn de btw niet te verhogen en in plaats daarvan het volledige budget voor ontwikkelingshulp te schrappen: ‘Dan hebben ze misschien iets meer honger in Afrika, maar hier niet.’ In september werd Filip Dewinter, politicus voor Vlaams Belang en secretaris van het Vlaams Parlement, op straat gefotografeerd met een Glock 9mm-pistool zichtbaar achter zijn broeksriem. ‘Ik heb al een jaar of acht een draagvergunning,’ zo was zijn reactie, en dat privilege is een gevolg van de doodsbedreigingen die hij naar eigen zeggen ontvangen heeft. Hij blijkt daarmee een van de vijftien Belgische burgers te zijn die inderdaad een vuurwapen mogen dragen in het openbaar.

Hoe kan het dat politici zich zo agressief gedragen en uitdrukken in het openbaar – op televisie, op YouTube, op sociale media en op straat? In het boek Coulée brune uit 2024 beschrijft Olivier Mannoni hoe de taal die media en politiek hanteren aan het verarmen is. In plaats van beredeneerde argumentatie, heldere ideeën en geschikte terminologie worden ongefundeerde beweringen, vage allusies, retorische trucs, buzzwords en fake news gelanceerd. Mannoni ziet opvallende gelijkenissen met de taal in Mein Kampf, het boek van Hitler dat in 1925 werd gepubliceerd. Voor het fascisme vormt dit soort taal blijkbaar de perfecte humusgrond, net als voor allerhande dolgedraaide fantasieën, als verbeeldingen die de aberrante realiteit van het fascisme mogelijk en aanvaardbaar maken.

Het werk van de Duitse socioloog Klaus Theweleit, en in het bijzonder zijn tweedelige boek Männerphantasienuit 1977 en 1978, is wat dat betreft even interessant als ontnuchterend. Theweleit analyseert brieven en memoires, geschreven na de Eerste Wereldoorlog, van een elitegroep vrijkorpssoldaten. Sommigen onder hen, zoals Dietrich Eckart en Alfred Ernst Rosenberg, zouden later hooggeplaatste vertegenwoordigers van het naziregime worden. De soldaten hebben een dubbelzinnige relatie met vrouwen en met de liefde. Getrouwde soldaten blijven apathisch tegenover hun echtgenotes, die bijna nooit een naam krijgen. Ze lijken alles wat te maken heeft met emoties en seksualiteit te blokkeren en ze beelden de liefde af als een donkere afgrond vol leed en destructie, veel verschrikkelijker dan de oorlog. Volgens Theweleit getuigen deze geschriften van ambivalente gevoelens, tussen intense interesse en koele onverschilligheid, agressiviteit en aanbidding, haat en verlangen, nood aan verbinding en angst voor zelfverlies. Vrouwelijkheid en seksualiteit worden weergegeven met hetzelfde beeld als het communisme en de dood: een walgelijke, rode vloed. De beeldspraak toont dat deze mannen vooral seksueel ongeremde en communistische vrouwen verafschuwen, bijvoorbeeld de linkse verpleegster of de onkuise, proletarische vrouw, afgebeeld als vuile hoeren.

De dingen waar de soldaatmannen – zoals Theweleit ze noemt – wel van houden, hebben een militaire connotatie: het vaderland, het Duitse volk, het uniform, andere mannen (kameraden, superieuren en ondergeschikten), de troepen, wapens, jagen, vechten en paarden. Vooral paarden zijn geliefd en ze worden teder en erotisch beschreven, veel vaker dan vrouwen. Ook andere soldaatmannen en hun lichamen worden tot onderwerp gemaakt op een manier die erotisch aanvoelt. Toch vindt Theweleit de associatie tussen fascisme en latente of verdrongen homofilie verdacht: het gebruik van dit psychoanalytische begrip buiten een klinische context houdt het risico in vooroordelen te bevestigen, bijvoorbeeld over mannelijkheid überhaupt. Bovendien is het niet zeker of het zin heeft om dit begrip toe te passen op deze mannen, aangezien ze elke seksuele handeling of verlangen vrezen en onderdrukken. De beschrijvingen zouden eerder wijzen op een appreciatie voor het sterke, atletische en getrainde lichaam – het lichaam als oorlogsmachine, dat met een stevig schild in staat is driften te beteugelen.

De mogelijkheid tot romantiek is op die manier niet alleen nauw verbonden met (of zelfs ondergeschikt aan) het lot van het vaderland en de noodzakelijke strijd. De soldaatmannen bezitten ook een rigide antivrouwenpantser dat een scherp onderscheid installeert tussen binnen en buiten, en dat hen op die manier censureert en van hun gevoelens afscheidt. Naarmate dit schild benauwder wordt, voelen ze meer schaamte over wat er in hen omgaat. De schrijfsels van de soldaten staan vol beelden van dammen en muren die vernietigd worden door een hevige stroom – meestal van bloed, soms van modder, slijm of eender welke andere voze brij. Deze stroom stelt niet de oorlog voor, maar de vrouw, het communisme of elke vorm van gevoeligheid. Theweleit merkt op dat deze beelden terugkomen in latere fascistische literatuur en dat het lijkt alsof de verbeelding van deze walgelijke substanties in relatie tot vrouwen en seksualiteit een substituut vormt voor de lustgevoelens die normaal gepaard gaan met de afscheiding van dergelijke viskeuze stoffen.

Het probleem is dat de soldaatmannen zichzelf niet toelaten om te genieten of lief te hebben, zoals Theweleit benadrukt.

‘Dat hun lichamen verkrampen wanneer ze genot proberen voelen; dat het zweet hen uitbreekt in plaats van de liefde; dat hun zachte, opgerichte geslachtsdelen onbevredigde gebeenten worden en hun verlangen om een ander lichaam te penetreren een dodelijke handeling; dat de aanraking tussen twee stukken huid, twee lichamen, geen ontlasting, zuivering en wedergeboorte produceert maar spanning, vuiligheid en dood – dat is het probleem.’

Het onvermogen tot bevrediging wordt gecompenseerd met geweld, en deze mannen zijn daarom enkel in staat tot sadistische of puur ideële liefde. Het onderscheid tussen man en vrouw of tussen zuiverheid en het onreine, prevalent in deze mannencultuur, resoneert met het idee van de zuiverheid en eenheid van het Duitse volk, en met de afkeer van alles dat dit volk kan bevuilen.

Origineel aan Theweleits perspectief is dat hij de protofascistische mentaliteit niet toeschrijft aan castratieangst of aan een oedipale identificatie met een sterke, autoritaire leider. De vrijkorpssoldaten verlangden niet naar een incestueuze relatie met hun moeders. Ze zouden eerder bezeten zijn geweest door de primitieve angst voor ontbinding. Na de Eerste Wereldoorlog was de socio-economische situatie in Duitsland erg precair. De soldaten keerden van het front terug naar een burgerlijk leven waaraan ze niet meer gewend waren, maar dat er ook danig op achteruit was gegaan. De grote werkloosheidsgraad maakte velen afhankelijk van hun familie – een ellendige en vernederende situatie, nog minder aantrekkelijk dan hun leven tijdens de oorlog, vooral wat financiën en zelfwaarde betrof. Paramilitaire eenheden boden een aantrekkelijk alternatief: interessante financiële voorwaarden, een aantrekkelijke functie, een plaats in de hiërarchie en de mogelijkheid om geweld uit te oefenen, om deel te nemen aan de macht en om voldoening te krijgen. De vrijkorpsen moesten vooral binnenlandse vijanden bestrijden, met name Joden en communisten of andere linkse politieke bewegingen. Volgens de complottheorie van de dolkstootlegende waren zij verantwoordelijk voor de Duitse nederlaag aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Deze legende werd in 1918 gelanceerd door de Duitse generaal Erich Ludendorff, die de eerste nazi wordt genoemd. Van 1920 tot 1924 plande hij met de toekomstige Führer verschillende staatsgrepen,met als doel het Derde Rijk te stichten.

Deze soldaatmannen voelden zich dus bedreigd: ze waren bang om geen betekenis meer te hebben of om volledig ‘gecanceld’ te worden. Het lijkt evident dat deze imaginaire wereld een vruchtbare voedingsbodem was voor de nazi-ideologie. Toch blijft het onduidelijk hoe dergelijke fantasieën een sociale klasse of zelfs een hele bevolking kunnen aansteken. Het lijkt alsof deze voorafbeeldingen van het fascisme op de een of andere manier versterkt of verspreid moesten worden vooraleer aan de basis te liggen van een breed gedragen nationaalsocialisme. Theweleit spreekt daarom van groepsfantasieën, een term die hij aan Deleuze en Guattari ontleent en die verbonden is met psychoanalytische fantasmen, als bewuste of onbewuste voorstellingen van de bevrediging van verlangens. Volgens de psychoanalyse spelen zulke fantasieën een belangrijke rol in het psychische leven en bepalen ze in grote mate ons denken en handelen.

Het ‘groepsfantasme’ is allesbehalve evident, door de intieme en persoonlijke aard die de psychoanalyse aan fantasmen toeschrijft. Als begrip vormde het dan ook het onderwerp van hevige debatten aan La Borde, de psychiatrische instelling waar Guattari werkzaam was. Volgens Deleuze en Guattari zijn fantasieën altijd collectief. De psychische realiteit van individuen staat nooit los van de materiële, socio-economische en politieke productie van de maatschappij waar ze deel van uitmaken, en wordt daar sterk door beïnvloed. Fantasieën reduceren tot iets individueels of familiaals, en bijvoorbeeld psychisch lijden toeschrijven aan een problematische relatie tot de vader of tot autoriteit – het Oedipuscomplex, kortom – neutraliseert de sociopolitieke betekenis en kracht ervan. Dit is de kern van de kritiek op de psychoanalyse in L’Anti-Œdipe uit 1973, en de motivatie tot een herformulering ervan. Volgens Michel Foucault, die het voorwoord schreef voor de Engelse vertaling, heeft dit boek als belangrijkste vijand het fascisme.

Guattari merkt op dat fantasieën de functie kunnen aannemen van een munteenheid. Bepaalde voorstellingen, zoals ideeën over bezit, voorkomen, status, wonen of afkomst, circuleren en bepalen hoe iets of iemand geapprecieerd wordt in een gemeenschap. Dit gebeurt niet altijd bewust en expliciet. Integendeel: dergelijke voorstellingen en appreciaties werken onderhuids en worden niet zozeer gecommuniceerd met woorden, maar met gebaren, houdingen, intonaties, geluiden en gezichtsuitdrukkingen – via een meer primitieve, preverbale communicatie die in tegenstrijd kan zijn met bewuste en verbale communicatie, en die net daardoor makkelijk genegeerd of ontkend kan worden.

Voorbeelden van zulke groepsfantasieën zijn te vinden in het pionierswerk van Wilfred Bion, een luitenant en kapitein van het Britse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, die daarna geschiedenis studeerde en psychoanalytische training kreeg van Melanie Klein. Hij werd groepstherapeut in de psychoanalytisch georiënteerde Tavistock Clinic in Londen, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog ook in militaire ziekenhuizen. Op basis van zijn ervaringen merkt Bion op dat er altijd, zelfs in de meest gesofisticeerde collectieven, een primitief, irrationeel mentaal niveau werkzaam is, waar mensen instinctief en onbewust aan deelnemen. Hij noemt dit het ‘protomentale niveau’ van de groep en brengt het in verband met Kleins theorie van de paranoïde-schizoïde positie, die karakteristiek zou zijn voor het mentale leven van zuigelingen, maar ook voor psychoses. Deze pre-oedipale en pregenitale positie gaat vooraf aan de waarneming van personen en aan het onderscheid tussen het zelf en de ander, en bestaat vooral uit partiële driften en objecten. Een sprekend voorbeeld is de orale drift, gericht op de vrouwenborst, zonder het zelf of de moeder als gehele persoon te zien. Deze positie, fragiel en dissociatief, brengt frustratie en haat voort, net als angst voor ontbinding, vervuiling en vervolging. Het resultaat zijn dus primitieve angsten en fantasmen – over almacht, opslokking, vernietiging, verminking en vervolging – die niet duidelijk te onderscheiden zijn van de werkelijkheid. Theweleit verwijst ook naar deze protomentale realiteit, die volgens hem een adequater perspectief biedt dan het Oedipuscomplex om de verbeelding van de soldaatmannen te begrijpen.

Volgens Bion brengt het groepsleven onzekerheid en angst met zich mee. Het regressieve protomentale niveau van de paranoïde-schizoïde positie is daardoor altijd in zekere mate aanwezig in groepen. Dit kan spanningen veroorzaken en ontwrichtend werken. De groepsdynamieken en de mechanismen die eruit voortkomen moeten het object vormen van een nieuw soort interpretatie of analyse. Uit zijn experimenten leidt Bion af dat groepen op het protomentale niveau functioneren volgens bepaalde veronderstellingen over wat het precies is dat de groep samenbrengt. Precies dit zijn de groepsfantasieën, die bepalen wat het collectief waardeert. Bion onderscheidt de afhankelijke groep, de vecht-of-vluchtgroep en de paringsgroep. De afhankelijke groep gaat uit van de impliciete veronderstelling dat de groep in stand wordt gehouden door een persoon of een object dat veiligheid, bescherming en voeding biedt, op materieel of spiritueel vlak. Deze groep is een fragiel organisme, afhankelijk van een leider die een persoon kan zijn, maar ook een spiritueel object, zoals een godheid. Bion merkt op dat wat Freud in Massenpsychologie und Ich-Analyse (1921) de artificiële groep van de Kerk noemt, lijkt te beantwoorden aan deze categorie. De vecht-of-vluchtgroep verzamelt zich daarentegen rond een vijand, die bevochten of ontvlucht moet worden, net zoals het Leger van Freud. In deze groep heersen paranoïde en agressieve gevoelens. De paringsgroep, tot slot, creëert onophoudelijk mogelijkheden voor intieme, binaire relaties om individuele problemen aan te pakken. Het doel is een hoopvolle sfeer, vanuit de overtuiging dat intieme relaties neurotische problemen en schuldgevoelens oplossen. Freud verbindt geen institutie met deze protomentale paringsgroep, maar volgens Bion ligt het exemplarische voorbeeld voor de hand: het is niets minder dan de psychoanalyse zelf, gekenmerkt door een intieme, binaire relatie en door de hoop neurotische problemen op te lossen.

De drie veronderstellingen waarrond een groep zich kan samenstellen kunnen overslaan van de ene op de andere, bijvoorbeeld wanneer de spanning te hoog oploopt en een andere aanname verlichting kan bieden. Bion beschrijft bijvoorbeeld zijn kennismaking met een groep die zich iets helemaal anders had voorgesteld bij het therapeutische werk dat hij te bieden had. De groep veronderstelde dat hij de leiding zou nemen en was teleurgesteld toen hij dat weigerde – of het althans niet deed op een manier die als gepast overkwam. Meneer X, een aardige man, duidelijk begaan met het welbevinden van de groep, nam de situatie in handen, wat de groepssfeer verbeterde. In zijn ogen was Bion de oorzaak van het probleem, en daarom richtte X zich tot hem, met de vraag wat zijn bedoeling was en waarom hij zijn intenties niet duidelijker wilde communiceren. De groep was niet tevreden met Bions antwoord en verschillende leden opperden halfhartig andere verklaringen voor zijn houding. De groep volgde met andere woorden de leiding van X, maar zonder bevredigend resultaat. Er heerste een ongemakkelijke sfeer en X leek erg ontevreden. De groep probeerde een aantal andere leden naar voren te schuiven, in een poging de spanning te verlichten. Bion vermeldt ook een paar positieve bijdragen van enkele groepsleden, die echter weinig effect hadden. Meneer Q opperde bijvoorbeeld dat Bion vermoedelijk wist wat hij deed en dat de groep hem kon vertrouwen. Dat verbeterde de stemming, maar slechts voor even, alsof de groep er uiteindelijk voor koos om de bijdrage van Q te negeren of anders te interpreteren. Twee andere groepsleden, mevrouw J en mevrouw H, brachten een aantal persoonlijke problemen te berde, vermoedelijk omdat ze dachten dat dit de bedoeling was. Vijandige stilte was hun deel, en langzamerhand deed niemand nog enige moeite. De sfeer bleef pijnlijk en gespannen. De groep leek vooral erg ontevreden over Bion: zijn interventies werden genegeerd of op wantrouwen onthaald, alsof ze meer onthulden over hem dan over de groep.

Bion herkent in deze situatie een afwisseling tussen de afhankelijke en de vecht-of-vluchtgroep. De groep verwacht eerst dat hij de leiding zal nemen, en wanneer dat niet gebeurt, wordt een andere leider gezocht. Dat blijft zonder resultaat, en de groep is not amused. Bion wordt geviseerd als de vijand, als de oorsprong van alle problemen. De groep moet zich tegen hem verzetten. In dergelijke groepen, zo merkt Bion op, kunnen de gesprekken futiel en onzinnig lijken in vergelijking met wat je van mensen zou verwachten. Ze getuigen van een onkritische houding en zijn verstoken van intellectuele inhoud. Aannames worden blindelings opgevat als feiten en emoties nemen de bovenhand. De groep worstelt met problemen die niet lastig zouden mogen zijn voor op zichzelf handelende, rationele individuen. Bion wijst erop dat de groep vaak bijdragen van de leden negeert of herinterpreteert, naargelang wat uitkomt en wat past. Hierdoor is het bijna onmogelijk om iets in de groep te gooien als de groep het niet wil horen. In een vecht-of-vluchtgroep worden alleen vijandige, agressieve of paranoïde bijdragen, zoals uitdrukkingen van haat en achterdocht, echt gehoord. Andere uitingen worden meteen genegeerd of vervormd.

Groepsleden vormen zich dus impliciet een beeld van de groep dat ook hun gedrag bepaalt. Ze raken ondergeschikt aan de collectieve verbeelding of de groepsmentaliteit, die functioneert als totaliserend reguleringsmechanisme. Dat is wat Bion schrijft in Experiences in Groups and Other Papers uit 1961:

‘[D]e groepsmentaliteit is de unanieme uiting van de wil van de groep, waaraan het individu op onbewuste wijze bijdraagt ​​en die het onaangenaam beïnvloedt, wanneer het individu denkt of handelt in tegenstrijd met de basisaannames. Het is dus een mechanisme van onderlinge communicatie dat is ontworpen om ervoor te zorgen dat het groepsleven in overeenstemming is met de basisaannames.’

Volgens Bion kan deze mentaliteit ons ook beïnvloeden wanneer de groep niet daadwerkelijk aanwezig is, omdat we groepswezens zijn en daar altijd, bewust of onbewust, rekening mee houden.

Guattari gelooft dat andere denkbeelden eveneens een regulerende functie kunnen hebben, zoals voorstellingen rond maatschappelijke rollen of functies. ‘Als ik vijfentwintig ben, word ik officier; daarna word ik kolonel en tot slot generaal.’ Dit soort fantasieën bieden zekerheid, doordat ze gepaard gaan met een gevoel van eeuwigheid en van het absolute. In L’Anti-Œdipe schrijft Guattari dat we bij dergelijke stellingen het volgende denken:

‘Het Franse leger heeft altijd bestaan, het is eeuwig, dus als ik mijn plaats in de hiërarchie behoud, zal ik toch enigszins aan deze eeuwigheid deelnemen, wat mijn leven gemakkelijker maakt, wanneer ik schrik krijg om te sterven, of wanneer mijn vrouw me een dwaas noemt. Ik ben tenslotte adjudant-chef!’

Op die manier helpen deze fantasieën ons te ontsnappen aan de angst voor de dood en aan de absurditeit van het bestaan. Toch treedt ook frustratie en onderdrukking op, omdat de groepen waarin zulke fantasieën opereren repressief zijn, en niet in staat blijken om de singulariteit van gebeurtenissen of individuen te erkennen. Groepsfantasieën, verbonden aan het kudde-instinct, impliceren bovendien segregatie en uitsluiting. Ze vormen de basis voor het castratiecomplex, voor de neurotische angst voor het superego, voor de geïnternaliseerde autoriteit en de sociale norm, en produceren schuldgevoelens en onbehagen.

Groepsfantasieën kunnen verbonden worden met het concept van het microfascisme van Deleuze en Guattari, dat volgens hen een antwoord biedt op de vraag hoe het mogelijk is dat een volk kan verlangen naar de eigen onderdrukking. De regulerende functie van het groepsfantasme duidt inderdaad op een mechanisme dat onbewust doet verlangen naar de repressie van wat afwijkt van de norm, zowel in onszelf als in anderen, via een totaliserende operatie die vertrekt vanuit de nood aan samenhorigheid. De verdringing van wat anders is maakt deze functie van het groepsfantasme microfascistisch; de totaliserende en regulerende logica maakt het protototalitair. Deleuze en Guattari stellen dat dit soort protototalitaire microfascisme alomtegenwoordig is. Het uit zich in de onophoudelijke verleiding onszelf en anderen te berispen en te beoordelen, zoals ze schrijven in Mille plateaux.

‘We zitten vast in duizend kleine monomanieën, vanzelfsprekende waarheden en klaarheden […] verblindende lichten die aan eender wie de missie geven van zelfbenoemde rechter, rechtspreker of politieagent.’

Microfascisme kan kristalliseren in ‘volwaardig’ of molair fascisme, en lijkt het ook te impliceren. Toch zijn ze verschillend en hun relatie blijft onduidelijk. Op het eerste gezicht lijken Bions vecht-of-vlucht- en afhankelijke groepen de belangrijkste aspecten van het fascisme te verklaren: agressiviteit, fantasmen over oorlog en vernietiging, vijandige mentaliteit en broederschap – dingen die Theweleit observeert in protofascistische literatuur. Zijn beschrijvingen sluiten aan bij het idee dat het microfascisme, als een uitdrukking van ons groepswezen, vertrekt bij regressieve, paranoïde-schizoïde fantasieën en angsten, zoals de angst voor ontbinding. Ondanks deze parallellen en overeenkomsten is er van fascisme nog geen sprake: de groepsmechanismen die Bion en Guattari beschrijven, komen veel subtieler tot uiting dan in fascistische bewegingen of regimes. Microfascistische tendensen worden niet expliciet of verbaal geuit; ze zijn grotendeels onbewust en hun duiding vormt het resultaat van analytische interpretatie. Het microfascisme impliceert niet noodzakelijk een openlijke vraag naar onderdrukking en vernietiging, noch een duidelijke vijand, net zoals een verlangen naar gemeenschap en segregatie niet samen hoeft te gaan met expliciete ideeën over zuiverheid en suprematie. Het fascisme komt niet zomaar tot stand door microfascismen bij elkaar te voegen. Blijft dus de vraag wanneer en hoe full-blown fascisme ontstaat.

Deleuze en Guattari vergelijken, in Mille plateaux, microfascismen met zwarte gaten, die in het molaire fascisme met elkaar verbonden worden en resoneren, om één grote, repressieve machine te vormen.

‘[H]et fascisme is onlosmakelijk verbonden met moleculaire brandpunten, die zich vermenigvuldigen en van het ene punt naar het andere springen, in interactie met elkaar, voordat ze allemaal samen resoneren […] in een groot, gegeneraliseerd, centraal zwart gat. Er is fascisme wanneer in elk gat, in elke nis, een oorlogsmachine is geïnstalleerd. Zelfs wanneer de nationaalsocialistische staat gesticht is, heeft ze de volharding van deze microfascismen nodig, die haar een ongeëvenaard middel bieden om de ‘massa’s’ te beïnvloeden.’

Fascistische bewegingen of regimes kunnen microfascismen mobiliseren, in een gecentraliseerde operatie, door ze met elkaar in communicatie te brengen en samen te laten weergalmen. Dat fascisme ontstaat door de verbinding van talloze microfascismen is een van de belangrijkste kenmerken ervan, meer nog dan de autoritaire dimensie. Daardoor overstijgt het fascisme de sociopolitieke, economische en historische context, en valt het niet noodzakelijk samen met één pool van het politieke spectrum – een kenmerk dat Umberto Eco het oerfascisme heeft genoemd. Precies dat maakt fascisme zo gevaarlijk: omdat het per definitie berust op protofascistische groepsfantasieën is het altijd een massabeweging die kan rekenen op een hele cultuur en symboliek. Dit verklaart het belang van jeugdbewegingen voor fascistische regimes, die moesten zorgen voor constante wedergeboorte of hernieuwde bloei, en voor de verspreiding van waarden en cultuur onder de jeugd. De Chileense antropoloog Yanko González Cangas heeft dat bevestigd toen hij aantoonde hoe de fascistische tendensen van het Pinochet-regime tussen 1973 en 1990 tot uitdrukking kwamen in de jeugdcultuur en jeugdorganisaties, met sterke militaire en patriarchale connotaties, met activiteiten als sportwedstrijden, catechese, fakkeltochten en andere groepsrituelen. González Cangas merkt op dat veel leden van deze clubs, die niet alleen geïnspireerd waren door het Frente de Juventudes van Franco, maar er ook direct mee verbonden waren, later belangrijke functionarissen, zaakvoerders en bondgenoten werden van de dictatuur en van het zogenaamde liberaal-democratische regime.

Door de cruciale rol van al deze groepen vergelijken Deleuze en Guattari het fascisme met een lichaam vol kanker. De politieke regimes waarvoor deze kankerachtige proliferatie van microfascistische zwarte gaten ruimte opeist, worden niet zozeer gekenmerkt door totalitarisme, maar door een aberrant verlangen naar vernietiging. Ze verwijzen naar de paradoxale Franco-slogan ¡Viva la muerte!, maar ook naar een opmerking van Paul Virilio, die in L’Insécurité du territoire uit 1993 de fascistische staat veeleer suïcidaal noemde dan totalitair. Daarnaast werpt het cybernetische begrip van ‘meekoppeling’ of positieve terugkoppeling licht op de definitie, door Deleuze en Guattari, van het fascisme als een destructieve vluchtlijn of een gewelddadige doodslijn. Positieve terugkoppeling is een feedbackmechanisme dat kan leiden tot de exponentiële versterking van een tendens of proces binnen een systeem, bijvoorbeeld in het broeikaseffect. Dit mechanisme heeft geen lineaire causaliteit en het escaleert in een destructieve ontsporing of destabilisering van het systeem – tot een runaway process. Het fascisme is te begrijpen als een dergelijk op hol geslagen proces, gedreven door redundanties en positieve feedbackloops, die microfascismen doen escaleren om ze te laten culmineren in een destructieve doodslijn.

Het verlangen om bij een gemeenschap te horen wordt alleen maar versterkt door de perceptie dat de maatschappij niet voldoet. Mensen of gemeenschappen, affecten of verlangens: ze schieten tekort of ze zijn schadelijk, omdat het hen aan orde, zuiverheid of integriteit ontbreekt en omdat ze niet overeenkomen met gemeenschappelijke waarden en idealen. Volgens Theweleit werd deze perceptie in het Duitse interbellum gecreëerd en versterkt door de populaire literatuur van het vrijkorps, die onder andere de vrouw, de seksualiteit en het communisme afbeeldde als walgelijk en onrein. Dat is ook de impliciete boodschap van de dolkstootlegende, die gaat over interne vijanden en dus over verdorvenheid en wanorde in het land. Groepsfantasieën hebben een totaliserende logica, waardoor de verspreiding en intensivering ervan bijna automatisch in gang wordt gezet. Al deze elementen leveren stof voor positieve feedback, die scheidingen en segregatie versterkt en leidt tot een ontsporing van de collectieve verbeelding. De afschuw voor vuiligheid ontspoort in de gewelddadige repressie van alles wat anders is en voedt een op hol geslagen verlangen naar vernietiging.

Dit soort destructieve beweging vormt altijd een risico, en is inherent aan elke vorm van verandering, aldus Deleuze en Guattari.

‘Dit is precies het […] gevaar: dat de vluchtlijn de muur oversteekt, dat ze uit de zwarte gaten komt, maar dat ze, in plaats van zich te verbinden met andere lijnen en in plaats van telkens haar vermogen te versterken, uitdraait in vernietiging, pure afschaffing, een passie voor afschaffing.’

De productieve beweging die te snel of te plots plaatsvindt, slaat om in een destructieve doodslijn. Alle mogelijke connecties en aftakkingen zijn geblokkeerd. De beweging kan nergens heen, plooit op zichzelf terug en draait door. Dat is precies wat er gebeurde tijdens de opkomst van het nationaalsocialisme, in een benauwde sociaal-economische context en in een cultuur die onderdrukking op vrijwel alle vlakken in de hand werkte. Theweleit beschrijft hoe de soldaatmannen alle kanalen tot bevrediging van hun verlangens versperd zagen. Deze gewelddadige repressie werd gesterkt door literatuur, liederen en propaganda, en kwam tot uiting in gewelddadige handelingen en representaties. Het geweld was de enige uitweg, zowel voor het individu als voor de staat, die als taak had om elke vorm van onzuiverheid te bestrijden en te vernietigen. De protofascistische verbeelding van de soldaten gaf aanleiding tot een collectief verlangen naar destructie, dat dan weer de mobilisatie van de psychische vermogens van een brede massa mogelijk maakte, dankzij een regime met als enige bestaansreden oorlog en onderdrukking.

Het fascisme, aldus Theweleit, slaagde er zelfs in om repressie te vieren en te eren tijdens massale collectieve rituelen en parades. Deelname impliceerde de uitdrukking van affecten, maar ook de onderwerping aan onderdrukking en kanalisering in strakke formaties.

‘De tegenstelling tussen de verlangens van het individu en de eisen van de maatschappelijke macht wordt opgelost in de enscenering van de parade. […] [H]et fascisme vertaalt zo interne toestanden in enorme, externe monumenten of ornamenten, als een kanalisatiesysteem, waar grote aantallen mensen naartoe stromen [en] waarin ze kunnen ervaren dat ze niet geïsoleerd en gespleten zijn.’

Dit soort massarituelen moet ongelooflijk extatisch en bevredigend zijn, vooral voor wie in afzondering leeft en zich verstopt achter een schild. Deze rituelen, die de onderwerping van het volk in scène zetten, wekken een tranceachtige toestand op, terwijl ze tegelijkertijd een strak en gecontroleerd stramien volgen, wat gevoelens van samenhorigheid, segregatie, homogeniteit en macht of suprematie versterkt. Het is dus niet verrassend dat zulke bijna heilige massarituelen in fascistische regimes een belangrijk middel vormen om even collectieve als repressieve verlangens te bevredigen en te intensiveren.

De analyses van Theweleit tonen het belang aan van de verbeelding, en meer bepaald van protofascistische mannenfantasieën, als vruchtbare bodem voor de kristallisatie van molair fascisme. De huidige populaire ideaalbeelden zijn natuurlijk niet meer hetzelfde als aan het begin van de vorige eeuw. De ondernemer heeft de plaats ingenomen van de militair, en de communicatiemiddelen zijn veranderd. Maar er zijn ook frappante parallellen tussen de verbeelding die Theweleit beschrijft en de huidige manosphere. Die sfeer bestaat uit verschillende, voornamelijk online gemeenschappen, zoals men’s rights activists en incels of onvrijwillige celibatairen die vrouwen de schuld geven van hun treurige toestand, maar ook uit pick-up artists die vrouwen verleiden met zogenaamde game of psychologische manipulatie, die ze tot het object maken van een ware pseudowetenschap: seduction science. Manfluencers promoten rigide hypermasculiniteit, met gespierde lichamen, een sterk, zelfredzaam en koel karakter, gesterkt door het idee dat vrouwen inferieur zijn. Volgens de ideologie van de red pill maken je fysieke verschijning en je genen al van bij aanvang uit of je vrijgezel zal blijven of niet. Het feminisme, en vrouwen in het algemeen, zijn vooral uit op de onderdrukking van mannen. Deze ideeën leiden tot een misogyne houding en tot geweld, en in wanhopige gevallen tot zelfdestructie. De epidemie van mannelijke eenzaamheid, die vaak toegeschreven wordt aan de discrepantie tussen wat er van mannen verwacht wordt en wat vriendschap en liefde vergt (zich kwetsbaar opstellen, intimiteit tonen, gevoelens delen), doet denken aan het pantser, anti-vrouw en anti-emotie, van Theweleits soldaatmannen.

De virtuele manosphere, die vooral op sociale media leeft en jonge en onzekere mannen aantrekt, is een broeikas voor misogyne ideeën en voor wat Theweleit mannenfantasieën heeft genoemd. Doordat deze media bestuurd worden door algoritmes en content aanbieden die aansluit bij wat iemand in het verleden reeds bekeken of beluisterd heeft, leidt dit automatisch tot overvloed en positieve feedback. Het houdt per definitie het potentieel in van terugplooiing en bijgevolg van een versterking van tendensen verbonden met bepaalde denkbeelden. De verbeelding kan verder ontsporen, bijvoorbeeld door de intensivering van gevoelens of de normalisering van geweld. Meer dan ooit rijst de vraag of het traject van een mens – van zelfontwikkeling, verkenning of ontspanning – in staat is zich te vertakken, of integendeel op zichzelf terugplooit en doordraait, om een lijn van pure destructie te vormen. De enorme hoeveelheid tijd die mensen voor schermen doorbrengen en de invloed van het virtuele leven op de fysieke wereld beperkt de diversiteit van ervaringen. Vooral sociale media spelen hierin een buitenissige rol. Veel mensen gebruiken ze als voornaamste informatiebron, wat het gevaar van isolatie of terugplooiing vergroot.

In leiders of kandidaten als Franco Parisi, Donald Trump, Geert Wilders en Filip Dewinter vallen dus wel degelijk fascistische tendensen te herkennen. Ze zijn tegen bijna alles – migranten, vrouwen, woke, socialisme – en hun politieke discours is gewelddadiger dan dat van andere politici. Toch is dat, zo maken Theweleit, Deleuze en Guattari duidelijk, niet de belangrijkste vraag. De vraag is eerder of deze mannen beschikken over de voedingsbodem die een fascistisch regime nodig heeft. Daarom is de populaire verbeelding – de idealen, de waarden en de representaties – allesbehalve onschuldig. Analyse is noodzakelijk, al gaat het dan niet per se over psychoanalyse in de klassieke vorm. In zijn institutionele analyse of schizoanalyse legt Guattari de nadruk op de collectieve dimensie. Hij wijst op het belang van een goede werking van de imaginaire functies van een gemeenschap; rigide en repressieve groepsfantasmen, over bijvoorbeeld mannelijkheid of vrouwelijkheid, moeten ‘verstrooid’ of ‘verspild’ kunnen worden. Daarom is voor hem ‘transversaliteit’ essentieel: het creëren van dwarse interacties – zowel verticaal (tussen hiërarchische niveaus) als horizontaal (tussen verschillende rollen) – om institutionele sclerose te vermijden, net als de kristallisatie van vastgeroeste rollen waar allerlei veronderstellingen en fantasmen aan vasthangen. Vanuit zijn klinische praktijk geeft Guattari als voorbeeld de fantasmen die bestaan over dokters, verpleegsters en patiënten, naar wie we heel anders kijken en tegenover wie we ons ook anders gedragen. Om dit tegen te gaan voerde Guattari in het ziekenhuis van La Borde een systeem van rotatie in, zodat taken zoals afwassen en poetsen verdeeld werden onder zowel de patiënten als het personeel, dat bovendien nooit uniformen droeg. Het kan banaal lijken, maar gezien het huidige politieke klimaat is het van groot belang om dergelijke transversaliteit voort te brengen, ook elders in de samenleving. Het druist bovendien in tegen de alomtegenwoordige vraag naar specialisering, segmentering en productiviteit die denkbeelden over ondernemerschap alleen maar versterkt.

 

Een langere en Engelstalige versie van deze tekst verscheen met als titel ‘Runaway Male Fantasies. A Cybernetic Interpretation of Becoming-Fascist’ in: Aion. Journal of Philosophy and Science, nr. 2, 2025, pp. 90-120.