width and height should be displayed here dynamically

Kunstenaarsboeken (12): Nummers en cijfers (deel 2)

Een enumeratie is een opsomming – een stijlfiguur met een reeks waarden die iets benadrukken. Meestal mondt de opsomming uit in een climax of een anticlimax, zoals in hitlijsten, bij het noemen van bepaalde voorkeuren of interesses. In de onoverzichtelijke productie van kunstenaarsboeken zijn er talloze voorbeelden met dergelijke inhoudelijke ‘filters’. Ed Ruscha’s allereerste boek, Twentysix Gasoline Stations, uit 1963, is iconisch en wordt vaak aangeduid als grondlegger van het kunstenaarsboek. Zoals de titel suggereert, bevat dit 48 pagina’s tellende boekje 26 zwart-witfoto’s van benzinestations, gelegen langs Route 66, tussen Ruscha’s huis in Los Angeles en dat van zijn ouders in Oklahoma City. Volgens Johanna Drucker, auteur van The Century of Artists’ Books (1995), combineerde Ruscha de letterlijkheid van de vroege Californische popart met een nuchtere, op serialiteit gebaseerde fotografische esthetiek.

De fascinatie van kunstenaars voor nummers en cijfers en voor het tellen of optellen van dingen die de inhoud van een boek bepalen, is zo divers dat een exemplarisch overzicht onmogelijk is. Alleen al Ruscha’s debuut werd tientallen keren als ‘model’ gebruikt, door kunstenaars die zich de vorm, inhoud of titel toe-eigenen, of die het boek imiteren of parodiëren – onder meer in Six Hands and a Cheese Sandwich (1971) van Joel Fisher, Twentysix Abandoned Gasoline Stations (1992) van Jeff Brouws, Fiftytwo Shopping Trolleys (2004) van Tom Sowden, 149 Business Cards (2005) van John Tremblay, de bootleg Twentysix Gasoline Stations (2009) van Michalis Pichler, Eleven French Publishers (2011) van John McDowall, Some Gasoline Prices (2011) van Steve Giasson, Twentysix Gasoline Cans (2012) van Joe Putrock of Twentysix Ceramic Fountains (2021) van Franck Landron, tevens een knipoog naar Duchamp. Wat volgt zijn vijf boeken met geïllustreerde getallenreeksen.

 

Hans-Peter Feldmann, 100 Jahre, München, Schirmer/Mosel, 2001, 208 pp., 27,5 x 21 cm, 101 ills., hardcover, oplage onbekend.

De Duitser Hans-Peter Feldmann (1941-2023) is een chroniqueur van het dagelijks leven. Uit een bodemloze verzameling beelden, die hij volgens zelfgekozen regels rangschikte, creëerde hij steeds kunstwerken en boeken, volgens het principe van reeks en herhaling. Naast zijn eigen foto’s, die hij nuchter als Bilder omschreef, maakte hij gebruik van materiaal uit kranten en reclamefolders, van massaal geproduceerde, triviale voorwerpen uit de huishoudafdeling van warenhuizen, of van op de rommelmarkt gekochte portretschilderijen. Het kunstenaarsboek was een essentieel onderdeel van zijn artistieke praktijk waarin de grens tussen kitsch en kunstgeschiedenis begon te vervagen. Met meer dan 150 gepubliceerde boeken (50 ervan op één exemplaar uitgebracht) ligt zijn uitgeefactiviteit enerzijds hoger dan die van tijdsgenoten als Martin Kippenberger (149) of Peter Downsbrough (134), maar anderzijds lager dan die van Nobuyoshi Araki (meer dan 300) of Dieter Roth (meer dan 500 boeken).

Tot de eerste publicaties van Feldmann uit de jaren zeventig behoort de reeks 39 kleine boekjes Bilder, net als de zelfgemaakte mappen van de Zeitserie. Naar verluidt heeft hij voor deze reeks in enkele ogenblikken een filmrolletje opgebruikt, om onder meer een vrachtschip, een kruispunt, een vrouw die ramen wast of kinderen die tv kijken te fotograferen. Der Überfall (1975) is als eerste van zijn publicaties gebaseerd op afbeeldingen uit kranten – een principe dat in de bekende reeks Voyeur (1994, 1997, 2006, 2009, 2011, 2014, 2021) een vervolg kende.

100 Jahre bevat 101 paginagrote zwart-witportretten van zijn familie- en kennissenkring, van Felina (8 weken), Jana (1 jaar), Richard (2) tot Elisabeth (98), Ernst (99) en Maria Viktoria (100). De geportretteerden lijken niet te poseren en worden terloops vastgelegd in hun dagelijkse omgeving: op de drempel, in hun woonkamer, op het balkon, in het park, aan een oever… Qua stijl, atmosfeer en tonaliteit doen deze foto’s denken aan Sanders reeks Menschen des 20. Jahrhunderts. Terwijl bij hem de geportretteerden grotendeels anoniem blijven en gecatalogiseerd worden op basis van hun activiteit, beroep of sociale status, worden ze door Feldmann gerangschikt op leeftijd, om conceptueel een tijdslijn van een eeuw te vormen.

 

Hans Eijkelboom, New York by Numbers, eigen uitgave, 2011, [104] pp., 14 x 21 cm, 100 ills., hardcover, 1000 ex.

Het werk van de Nederlandse fotograaf Hans Eijkelboom (1948) wordt ook vaak vergeleken met dat van August Sander. ‘Terwijl Sander het individu beschrijft als een unieke schikking van generische elementen (kledij, pose, attributen…),’ zo schreef Steven Humblet in De Witte Raaf, nr. 141, ‘reduceert Eijkelboom de hedendaagse stedeling tot zijn – ondertussen geglobaliseerde – vestimentaire accessoires.’ Sinds 1977 publiceerde Eijkelboom een reeks kunstenaarsboeken, grotendeels in eigen beheer en onder de noemer ‘fotografische notities’, die ondertussen uit 58 items bestaat. Door herhaling – bijvoorbeeld van zijn eigen beeltenis en later die van mensen op straat – stelt hij de verschillen tussen types, maar ook hun uniforme kledingkeuze aan de orde. Zijn omvangrijkste publicatie tot nog toe is een ‘antimodebijbel’ van 512 bladzijden: People of the Twenty-First-Century, verschenen bij Phaidon in 2014 in een oplage van 14.000 exemplaren en reeds herdrukt in 2019. Het boek illustreert zijn inventariserende en documentaire aanpak als chroniqueur van de hedendaagse consumptiecultuur. Toch lijkt New York by Numbers uit 2011 overtuigender.

Het coverontwerp van KesselsKramer kondigt subtiel de conceptuele benadering aan: een drietal letters (B, I ​​en E) zijn vervangen door cijfers (8, 1 en een gespiegelde 3). Tijdens een verblijf van 21 dagen in de Big Apple, fotografeerde Eijkelboom in 2010, in de traditie van de street photography, uitsluitend voetgangers met hoodies, shirts of jassen die een nummer droegen. Chronologisch gerangschikt van 1 tot 100 fungeert de doorlopende nummering niet alleen als paginering, maar ook als een ‘parasiet’ in de visuele ruis van het straatbeeld. Tussen 2010 en 2012 ontstonden volgens hetzelfde principe ook reeksen in Nairobi, Moskou, Parijs, São Paulo en Amsterdam. Die laatste reeks verscheen in 2011 ook als boek.

 

Jean-Marie Krauth, 0…103, Straatsburg, Éditions Ju Young Kim, 2018, [226] pp., 8,5 x 12,5 cm, 103 ills., softcover, 100 ex.

Dit vrij kleine boekje bevat 103 omslagillustraties in kleur van populaire misdaadromans met een nummer in de titel. Bij wijze van paginering ontstaat er in het samenspel van titels, ontwerpstijlen en talen soms een cadavre exquis, zoals bijvoorbeeld: The 27-Ingredient Chili Con Carne Murders (Nancy Pickard), 28 minutes d’angoisse (Verne Goody), 29 février (Rémy Stefani). De opeenvolging van de 103 titels bereikt een hoogtepunt dat terugwijst naar het begin. Het boek opent met Mr. Zéro (Jim Thompson), Pour donner la mort tapez 1 (Ahmed Tiab) en Touchez pas à mes deux seins (Martin Winckler) en eindigt met Appartement 103 (Stéphane Lavenère), Fins de série (Christian Rauth), en Retour à ‘0’ (Stefan Wul). Het subtiel doordachte en zorgvuldig samengestelde kunstenaarsboek van de Fransman Jean-Marie Krauth (1944) is meer dan sympathiek en anekdotisch. Het is een kleine bloemlezing van een (ondergewaardeerd) literair genre dat toont hoe de ontwerpstijl van de misdaadroman evolueerde.

 

Alberto Vieceli, 1-100 Musicians on 100 Postcards, Zürich, everyedition, 2024, [100] pp., 21 x 29,7 cm, 100 ills., hardcover, 700 ex.

Het is moeilijk om niet te glimlachen als je door dit eerder sober en rechttoe rechtaan ontworpen boek bladert. Zonder enige inleiding worden honderd kleurenreproducties verzameld van iets uitvergrote ansichtkaarten met muzikanten in een oplopend aantal: een eenmansorkest, een duo, een trio, tot fanfares, blaaskapellen, koren en, op het eind, symfonieorkesten. Het hilarische is de letterlijke, ietwat klungelige atmosfeer. Het eerste beeld toont het eenmansorkest van Pertl Gutmann uit Kaindorf, een lachende accordeonist, gehuld in een pak, omringd door synthesizer, drumstel, muziekstandaard met koebel en twee grote luidsprekers, met op de achtergrond een Oostenrijkse vlag. Daarna volgen, poserend in traditionele kledij, het duo Freddy en Werner – Die Zwei Rosenthaler – en het trio Bielersee Meitschi uit Zwitserland. De sequentie toont vervolgens combo’s uit Servië, Guinea, de Verenigde Staten, Schotland, Finland, het Verenigd Koninkrijk, Tunesië, Fiji, Canada, Denemarken, Italië, Duitsland, Noorwegen, Nederland en Frankrijk. Twee groepen komen uit België, uit Merchtem en Le Bizet. De decors en locaties zijn even divers als de formaties en de kledingstijl. Zo staan muzikanten naast een sportwagen, voor een circustent, een postkantoor of een kasteel, in een zwembad, in de woestijn, op een luchtmachtbasis of op een voetbalveld. De Zwitserse vormgever en kunstenaar Alberto Vieceli (1965) heeft al eerder dergelijke compilaties uitgegeven. Pet Sounds (2023) bevat 320 platenhoezen waarop muzikanten – zoals Alice Cooper, Julio Iglesias of Frank Zappa – poseren met een dier. OK OK Twin Postcards (2018) verzamelt 100 identieke templates van postkaarten die door twee steden gecommercialiseerd werden. 336 Pages. 336 Books (2013, samen met Sebastian Cremers en Tania Prill) – een boek dat ik helaas niet heb – werd gevuld met uitvergrote paginanummers van 336 bronnen. Vergeleken daarmee is 1-100 Musicians on 100 Postcards het meest conformistische en tegelijkertijd meest subversieve werk van deze kunstenaar, waarin folklore en het verenigingswezen conceptueel worden samengebracht.

 

José Quintanar, Dutch Landscape 17 [Catalogue], Rotterdam, in eigen beheer, 2024, [28] pp., 29,7 x 21 cm, 90 ills., brochure, geniet, met inlegvel, 300 ex.; gebaseerd op: José Quintanar, Dutch Landscape XVII, Rotterdam, in eigen beheer, 2023-2024, reeks van 78 unieke antiquarische boeken van verschillende omvang en formaat, telkens met interventies door de kunstenaar op 12 pagina’s.

De Spanjaard José Quintanar (1984) heeft een achtergrond in architectuur en strips en hanteert het boek als vorm om – naar eigen zeggen – ‘de mogelijkheden van het tekenen als spel te exploreren, net als de manieren waarop het een primaire methode wordt om processen op basis van rudimentaire regels vast te leggen’. Sinds 2015 heeft Quintanar 33 boeken gepubliceerd, binnen zijn imprint (en in samenwerking met Ruohong Wu) This Was A Project But We Have Forgotten What It Was, uitgegeven door Nieves en Rollo Press in Zurich, Ruja Press in Rotterdam en Terry Bleu in Amsterdam. Hij verhuisde naar Amsterdam en startte in 2019 de reeks Dutch Landscape, die uit 23 delen bestaat: unieke tekeningen, vlaggen en banieren, geplooide drukwerken en boeken van verschillende omvang, in ‘geparasiteerde’ en toegeëigende publicaties of in ruimtelijk, ‘getekende’ installaties. Quintanar merkt op, op de site van Rollo Press: ‘Mijn interesse ligt niet zozeer in de weergave van de natuur, maar in de representatie ervan – dat wil zeggen: hoe de tekening is opgebouwd, of wanneer de weergave van een landschap een ander landschap wordt.’ ‘Dutch Landscape’, zo schrijft hij in de gelijknamige publicatie, in 2024 bij Rollo Press verschenen, ‘is een oefening in het synthetiseren van een traditioneel historisch kunstonderwerp in Nederland tot een eenvoudig tekenspel met rudimentaire regels en beperkingen. Het boek en het formaat spelen met het concept van kolonisatie en omgeving en werkt als protocol, als ritueel of als vertelinstrument waarbij hetzelfde landschap steeds opnieuw wordt getekend totdat het verdwijnt.’ De tekening wordt een constructie van zichzelf – niet de representatie van een realiteit, maar de realiteit van de representatie.

De brochure Dutch Landscape 17 [Catalogue] is een derivaat van Quintanars boekencompendium Dutch Landscape XVII (2023-2024) dat bestaat uit 78 op tweedehandsmarkten in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag verworven publicaties. De verzameling moet als één werk worden beschouwd, dat bovendien collectief eigendom is, aangezien de individuele boeken afzonderlijk worden verkocht. Als eclectische verzameling van nooit eerder bij elkaar gebrachte boeken – kinderboeken (ABC Wie van de kindertjes leest er mee?, 1972), architectuurboeken (De Zuiderzeewerken, 1953), kunstboeken (Rembrandts Landscape Drawings, 1981), strips (Niemand houdt van me, 1981), archeologieboeken (Temples of Convenience, 1979), handleidingen (Papieren vliegtuigen, 1994), literatuur (Je zou kunnen zeggen dat ik dapper ben, 2001), atlassen (Atlas van Nederland, de West, Nieuw-Guinea en Indonesië, 1958) of fotoboeken (Wegkijken, 2004) – vormt Dutch Landscape XVII een cultureel en sociaal landschap van een nationaal territorium.

Voorzien van neutrale grijze omslagen met alleen een groot nummer in de rechterbovenhoek, verrijkte Quintanar deze reeks van 78 boeken op telkens 12 pagina’s met lijntekeningen in rode inkt, gebaseerd op 12 stencilsjablonen. In een mail verwoordt hij het als volgt: ‘De conceptuele kern van het project is een tekening van een Nederlands landschap, samengesteld uit 78 lijnen. De oefening was om die 2D-tekening te vertalen naar de binnenkant van een 3D-structuur: een boek van 12 pagina’s. De eerste pagina bevat één lijn uit de tekening, de tweede twee lijnen, de derde drie, enzovoort, tot de laatste pagina twaalf lijnen bevat. Het landschap bouwt zich geleidelijk op, maar wordt nooit geheel zichtbaar. Het verdwijnt, maar het is er – verborgen in de structuur. Het boek is het landschap. Dit sluit aan bij een terugkerend idee in mijn werk: het boek als een beeld dat je niet volledig kunt zien, maar dat desondanks bestaat.’

Lijnelementen of fragmenten vormen de werktuigen van Quintanar. Dutch Landscape 17 [Catalogue] is misschien zijn radicaalste boek. Het bevat geen tekeningen, maar toont alleen in zwart-wit de 78 boekomslagen (telkens drie per pagina). Op de middenpagina staat een index met de bronvermelding van alle tweedehandsboeken, en op een apart gevouwen, rood gedrukt velletje, de 12 gebruikte stencilsjablonen. Quintanar: ‘Het Nederlandse landschap bestaat hier op twee schaalniveaus: als individueel boek dat het landschap bevat én als volledige collectie van [78] boeken – elk uniek – die samen een tweede landschap vormen: een landschap dat de diversiteit en materiële cultuur van Nederlandse boeken weerspiegelt. Een soort Nederlands cultureel ‘landschap’, dat doet denken aan de bibliotheekbenadering van Aby Warburg.’ Dutch Landscape 17 [Catalogue] ontpopt zich als een dubbele representatie van het landschap, een landschap binnen landschappen… een boek als Droste-effect, met een autoreferentieel karakter.