width and height should be displayed here dynamically

Donald Judd. The Low Countries, 1966-1971

Minimal Art, Gemeentemuseum, Den Haag, 1968

Met een grote bezem wordt een roestvrijstalen kunstwerk schoongeveegd. De locatie: het Van Abbemuseum in Eindhoven. De man met de bezem: Donald Judd (1928-1994). Kort na de opening van Judds eerste museale solo in Europa, op 16 januari 1970, interviewt de Belgische schrijver Freddy de Vree hem voor het televisieprogramma Zoeklicht, uitgezonden door de toenmalige BRT.

Zowel het interview als enkele stills zijn gepubliceerd in het nieuwe boek van Wouter Davidts, die een lacune wil opvullen in het Amerikaanse onderzoek naar de beginjaren van Judds kunstenaarschap. Naar zijn mening concentreert dat onderzoek zich te beperkt op de receptie in de VS, terwijl Judd in die periode deelnam aan maar liefst zes tentoonstellingen in Nederland en België. Deze exposities zijn in Nederland al eerder onderwerp van onderzoek geweest. Door zijn aandacht nu te richten op de installatiewijze van het werk van Judd en op teksten in catalogi, dagbladen en tijdschriften, breidt Davidts het beeld van de Nederlandse ontvangst van de minimal art verder uit en betrekt hij voor het eerst ook de receptie in België in zijn beschouwing.

Het resultaat is een goed gedocumenteerd, informatief boek, met terecht veel aandacht voor de manier waarop Judds werk in de museumzalen werd gepresenteerd. Op Vormen van de kleur in het Stedelijk Museum in 1965 was slechts één werk te zien: een grote, cadmiumrood geschilderde, ovale ring, zonder sokkel op de vloer geplaatst, deels over een ventilatierooster. Wim Beeren, samensteller van de expositie, verleende volgens Davidts met deze wat ongebruikelijke plaatsing aan het werk de vanzelfsprekendheid die Judd nastreefde: als zelfstandig, materieel object ontleent het uitsluitend betekenis aan de eigen fysieke verschijning. Beeren combineerde het werk met schilderijen en een sculptuur van Ellsworth Kelly en Tadaaki Kuwayama. Op Kompas 3 in het Van Abbemuseum in 1967 deelde Judd een ruimte met Robert Morris en Dan Flavin, aan het slot van de tentoonstelling, als een driedimensionaal vervolg op de shaped canvases van Frank Stella.

Uit de inleiding van curator Jean Leering in de catalogus blijkt dat hij bekend was met het artikel ‘Specific Objects’, waarin Judd in 1965 een relatie legde met Stella’s objectivering van het kunstwerk. Davidts laat de invloed van het Amerikaanse kunstdiscours op Leering buiten beschouwing, maar maakt dat goed in zijn bespreking van het artikel dat Enno Develing in Museumjournaal publiceerde ter gelegenheid van Minimal Art, een door hemzelf gecureerde tentoonstelling in 1968 in de Schamhartvleugel van het Gemeentemuseum in Den Haag. Toch was ook hier een kanttekening op zijn plaats geweest. Develing typeerde minimal art als een ideologische kunst en suggereerde dat het antihiërarchische en antirationalistische karakter van Judds werk getuigde van sociaal en filosofisch engagement. Zoals Rogier Schumacher in 2007 in zijn proefschrift over Museumjournaal heeft betoogd, was dat een persoonlijke poging om Judds werk maatschappelijke betekenis te geven.

Van de vijf sculpturen die Develing voor Minimal Art selecteerde, keerde slechts één werk in 1970 terug op de solotentoonstelling in het Van Abbemuseum. Twee van de twaalf daar getoonde werken waren uitgevoerd bij Nebato, een kleine werkplaats in Bergeijk, waar ook Dan Flavin, Sol LeWitt en Robert Morris destijds werk voor de Europese markt lieten vervaardigen. Judd werd er in december 1968 geïntroduceerd door meubelontwerper en kunstverzamelaar Martin Visser en galeriehoudster Mia Visser. Davidts heeft de tentoonstelling nauwgezet gereconstrueerd aan de hand van een op de museumplattegrond getekend plan dat Judd eind 1969 aan Leering stuurde. De kunstenaar kreeg de vrije hand. In elk van de vier ruimtes die hij ter beschikking had, creëerde hij een uitgebalanceerd, ritmisch arrangement, zowel variërend in type werk als in materiaal en ruimtelijke positie. Het betrof een fraaie selectie uit de vijf werkgroepen die Judd in de tweede helft van de jaren zestig had ontwikkeld: op de vloer geplaatste grote, open, rechthoekige dozen; aan de muur gemonteerde, verticale stapelingen van lage rechthoekige dozen; horizontale muurwerken met rekenkundig bepaalde progressies van gesloten vormen en open tussenruimten; op de vloer staande reeksen gesloten kubusvormige dozen; en reeksen van parallel geplaatste rechthoekige frames. Davidts ziet de expositie in het Van Abbemuseum als een belangwekkend moment in de beginjaren van Judds artistieke carrière. Niet alleen omdat het zijn eerste solotentoonstelling in Europa was, maar vooral ook vanwege de bijzondere wijze waarop hij zijn werk installeerde.

Het tentoonstellingsplan is opgenomen in een achter in het boek geplaatst beeldkatern dat vooral een documentair karakter heeft. Naast omslagen van catalogi en aan Judd gewijde pagina’s zijn installatiefoto’s, posters, krantenknipsels en recensies uit kunsttijdschriften opgenomen. Het boek geeft een levendig beeld van de – vaak negatieve – ontvangst van Judds werk. Er wordt rijkelijk geciteerd en Cor Blok en Carel Blotkamp worden naar voren geschoven als de critici die Judds kunst het scherpst wisten te analyseren. Opmerkelijk genoeg heeft Davidts de artikelen over het hoofd gezien die Rudi Fuchs in 1968 en 1969 in De Gids over Judd en Robert Morris publiceerde. Fuchs – net als Blok en Blotkamp een belangrijke stem binnen de Nederlandse kunstkritiek – zou een groot pleitbezorger van Judds kunst worden, maar eind jaren zestig stond hij er tamelijk kritisch tegenover. ‘Vooralsnog voel ik in de beste werken van Noland, Stella en Caro meer kwaliteit dan in enig stuk Minimal Art dat ik heb gezien,’ schreef hij in 1968.

Ook Belgische critici die naar het Noorden afreisden om de tentoonstellingen te bezoeken, komen uitgebreid aan het woord. Pas in 1971 kon het Belgische publiek met Judds werk kennismaken in het Middelheimmuseum in Antwerpen. Waar zij eerder positief over de tentoonstellingen in Nederland hadden geschreven, lieten critici als Marc Callewaert, Geert Bekaert en Freddy de Vree zich nu uitermate negatief uit. Het geselecteerde werk, vier stalen kubussen met een aardkleurige coating, stond naar hun mening niet alleen slecht opgesteld op een van de velden van het park, het werd ook ten onrechte gepresenteerd als een exempel van de laatste ontwikkeling in de Amerikaanse beeldhouwkunst. Davidts onderschrijft hun kritiek, die volgens hem het ongenoegen weerspiegelt dat onder Belgische critici, verzamelaars en kunstliefhebbers leefde over de gebrekkige aandacht voor eigentijdse buitenlandse kunst. Als bewijs daarvoor haalt hij aan het slot van zijn betoog een artikel uit 1974 van Karel Geirlandt in Studio International aan, waarin de schraalheid van het Belgische museumlandschap wordt bekritiseerd.

 

Wouter Davidts, Donald Judd. The Low Countries, 1966-1971, MER, Gent, 2025, ISBN 9789463939126.