Willy Van Der Meeren. Mass.

Publicaties over het werk van Willy Van Der Meeren (1923-2002) waren tot nu toe voornamelijk van de hand van Mil De Kooning. Hij wijdde eind jaren negentig een doctoraatsonderzoek aan de modernistische architect, dat Van Der Meeren rond de eeuwwisseling een blijvende plaats gaf in de canon van de Belgische architectuurgeschiedenis. Met Willy Van Der Meeren. Mass van Peter Swinnen en Anne Judong werd eind 2025 een nieuwe publicatie aan de bibliografie toegevoegd. Het is de eerste Engelstalige overzichtspublicatie: een op het eerste gezicht bescheiden zwart boekje op A5-formaat dat toch een aanzienlijke hoeveelheid bijdragen bevat. Swinnen en Judong, die de publicatie voorzagen van een intro en outro, kozen voor een rijkdom aan formats, waaronder interviews, fotoreportages en essays.
Zo schrijft curator Francis Carpentier over de invloed van Louis Herman De Koninck op Van Der Meeren tijdens zijn studie aan La Cambre in Brussel, wat toelaat zijn modernistische en socialistische opvattingen te contextualiseren. Zowel nationaal als internationaal stond Van Der Meerens architectuur niet in een vacuüm. Rika Devos schrijft over zijn positie als building designer en analyseert de constructieve kennis van de architect (en soms het gebrek eraan), terwijl Guido Stegen de energieprestatie bespreekt van het welbekende CECA-huis nr. 7 uit 1957 in Tervuren. Peter Swinnen gaat met Charlotte Nys van het ingenieurs- en architectuurbureau Origin in gesprek over de renovatie van het grootschalige woonproject Ieder Zijn Huis in Evere, dat in 1961 in gebruik werd genomen. Met designexpert Thierry Belenger spreekt Swinnen over Van Der Meerens meubelontwerpen voor fabrikant Tubax, die oorspronkelijk bedoeld waren voor de arbeidersklasse, maar ondertussen zijn uitgegroeid tot dure verzamelaarsitems. Getuigenissen van studenten en medewerkers – zoals Luc Deleu en A.J. Lode Janssens, twee architecten aan wie Swinnen al eerder monografieën wijdde – beschrijven Van Der Meeren als professor en als bezieler van Atelier Alpha, het weinig conventionele architectenbureau dat hij leidde in de jaren zestig.
Ten slotte is de publicatie voorzien van bijzonder beeld- en archiefmateriaal. Een pamflet uit 1954 over het CECA-huis door Van Der Meeren en zijn professionele partner Léon Palm gaat vergezeld van een gedetailleerde meetstaat (de volle twee A4’tjes), alsook van de neerslag van een gesprek uit 1965 tussen Van Der Meeren, Georges Baines, Renaat Braem, Peter Callebout en K.N. Elno over de staat van de architectuurpraktijk en het -onderwijs. Zelfs enkele beelden van Van Der Meerens kortstondige carrière als televisieproducer zijn opgenomen. Een opvallende toevoeging is het document met als titel ‘Vijftien credo’s’, in 1968 gepubliceerd in HBK’s Financial Report, een publicatie van de coöperatieve bank HBK waarvoor Atelier Alpha op dat moment een nieuwe Brusselse hoofdzetel realiseerde. Hierin beschrijft Van Der Meeren een efficiënter architectuurproces, waarin bouwheer en architect samen het programma herdenken, waarna het uitvoeringsontwerp op punt wordt gezet in samenwerking met de aannemer, zodat fouten tot een minimum kunnen worden beperkt. Het klassieke proces, waarbij de architect vertrekt van een aangeleverd programma van eisen en een uitvoeringsontwerp tekent zonder de betrokkenheid van een aannemer, noemt hij ‘A poker game. A tangle of incomprehension and unknowns for all parties, inevitably causing very serious wastes of money and time.’
De diversiteit aan materiaal zorgt ervoor dat Willy Van Der Meeren niet louter op ontwerpmatige, architectuurtheoretische of zelfs architectuurgeschiedkundige wijze wordt benaderd. Hedendaagse thema’s zoals renovatie van erfgoed, energieprestatie en computertechnologie komen aan bod, maar ook materiaal, constructie en architectuuronderwijs. Hoewel Van Der Meeren absoluut een architect was van zijn tijd, die in de naoorlogse periode geïnspireerd door internationale invloeden van de moderne beweging antwoorden zocht op de acute uitdagingen van de huisvestingscrisis, toont deze publicatie aan dat veel van Van Der Meerens opvattingen nog steeds relevant zijn. Zo is de voortdurende ambitie om het materiaalgebruik tot een minimum te beperken van belang in het licht van de klimaatverandering en de nakende oliecrisis, zelfs al interesseerde Van Der Meeren zich vooral voor economische, minder duurzame materialen zoals beton, staal en asbesthoudend vezelcement. Daarnaast herkent de vakbekwame lezer in Van Der Meerens ‘Vijftien credo’s’ enkele gedachten die aan de grond liggen van de hedendaagse bouwteam-, design- en bouwprocessen. Deze architect had al vroeg door dat het computertijdperk een grote impact zou hebben op de architectuurpraktijk en benadrukte daarom het belang van industrialisatie, rationele kwantificatie en informatietechnologie.
Wat echter ook in deze publicatie naar voren komt, is Van Der Meerens gebrek aan impact. Zijn ambitie om in grootschalige huisvesting te voorzien – om te ‘bouwen voor de massa’ – werd nooit ingelost. Het CECA-huis, als prototype volledig gereed voor massaproductie, resulteerde in niet veel meer dan een collectief woonerfje met hoge erfgoedwaarde ten zuiden van Brussel. Zijn opvattingen over materiaalgebruik en efficiënte constructiemethoden bleven experimenten in de marge en kenden slechts beperkt navolging. Het is tekenend dat de achteraan in de publicatie opgenomen lijst van gebouwde projecten overheerst wordt door individuele gezinswoningen. Dit toont aan dat Van Der Meeren zich als architect tot op zekere hoogte diende te schikken naar de heersende opvattingen en gewoonten. Zo slaat de ondertitel Mass niet alleen op het reduceren van materiaalgebruik, maar ook op een falen: het falen om te bouwen voor de massa. Van Der Meerens carrière illustreert hoe architecturaal experiment dat vertrekt vanuit de ambitie om antwoorden te geven op de uitdagingen van een tijdperk, vanuit de noodzaak om dingen anders aan te pakken, er niet in slaagt om werkelijk en grootschalig grenzen te verleggen. Experiment in de marge, met andere woorden, heeft in de ruimere bouwpraktijk slechts een beperkte invloed.
• Peter Swinnen, Anne Judong (red.), Willy Van Der Meeren. Mass, Leipzig, Spector Books, 2025, ISBN 9783959059282.