width and height should be displayed here dynamically

Edith Dekyndt. It could be James on the beach. It could be. It could be fresh and clear.

Edith Dekyndt. It could be James on the beach. It could be. It could be fresh and clear, Museum Dhondt-Dhaenens, Deurle, 2026, foto Barth Decobecq

A beach is a beach is a beach? Vergelijk het strand van De Haan, waar James Ensor en Albert Einstein elkaar in de zomer van 1933 ontmoetten, met het strand van Hiroshima. Op het ene kwam iets tot stand, op het andere werd iets afgebroken. Toch was de ontmoeting op beide stranden dezelfde. Op het zand sta je in de overgangszone tussen natuur en cultuur, diepte en hoogte, wetenschap en kunst. Edith Dekyndt (1960) wijst er in haar solotentoonstelling in Museum Dhondt-Dhaenens op hoe een strand de continuïteit tussen deze twee polen van de mensheid uitdrukt.

Het museum in Deurle is de ideale plek om een gebouw voor enkele maanden strand te laten zijn. Langs een glazen patio krijgen alle wanden in de rechterzaal een portie natuurlijk licht. Dekyndt heeft die ommuurde buitenwereld nog sterker aan de tentoonstellingsruimte gebonden. In het midden van de zaal, diagonaal door de patio, hangt één ononderbroken gordijn. Hajime verbeeldt de kimonomotieven die in de huid van de slachtoffers werden gebrand na de aanval op Hiroshima. Het gordijn maakt niet alleen duidelijk dat je voor vernietigingsdrang nergens veilig bent, binnen noch buiten, en dat (natuurlijke) lichamen constant met (culturele) artefacten interageren, in harmonie of in tegenspraak, maar ook dat je altijd achter de schoonheid moet kijken om te zien wat ze verbergt.

Volgens de bezoekersgids markeren Ensor en Einstein ‘de subtiele overgang van een oude naar een moderne wereld’. Die subtiliteit hield op twaalf jaar en vier dagen na hun ontmoeting, op 6 augustus 1945. Maar inderdaad, een strand – net als de beide heren die er elkaar ontmoetten – symboliseert het verglijden van de tijd. In de linkervleugel heeft Dekyndt kapot gevallen, jazzy lusters met een zandkleurig krijt besprenkeld, met het werk But I Was Reminded of the Fact That I Had Been Avoiding the Beach als resultaat. De jaren twintig zijn voorbij, de idealen uit die tijd zijn in verval. Verder hangt er een vlekkerig katoenen doek, Underground (Museumlaan), dat de kunstenaar een half jaar lang onder de grond van de museumtuin aan de natuur heeft overgegeven. Het heeft de aanblik van een te lang beslapen kussen. Op een glazen wandrek ligt een collectie gevonden strandvoorwerpen (It Could Be Very Fresh and Clear) die grotendeels uit stenen bestaat, maar waar ook een afgerond kunststofplaatje met een hedendaags logo en wat lijkt op een miniatuurraketmotor deel van uitmaken. Het hout van Beach Wood heeft Dekyndt ook aan de Belgische kust gevonden, maar het is gedeeltelijk omhuld door een chipachtige 3D-print die vloeibaar lijkt. Het doet denken aan horrorscenario’s met viskeuze, plakkerige monsters, zoals in films als The Blob of The Raft. Een strand wordt tegelijkertijd woestijn, mangrove, moeras en drijfzand – een plaats waar je de meest buitenaardse dingen terugvindt.

Om stenen, cyborghout en zeewezens een habitat te geven, kan Dekyndt gebruikmaken van vloeren en muren die zorgen voor een geologisch reliëf. Het permanente werk Paragone (2022) van Lili Dujourie – twee kabbelende waterpartijen met keien – wordt onderdeel van deze expo. In de linkervleugel schuilen er onder de witte wanden bobbels en wortels. Op een zalmroze vloer met rode nerven, die als bloedvaten onder de werken kronkelen, heeft Dekyndt haar mariene sculpturen gelegd: octopussen van verweerd visserstouw en slijmerige 3D-print; wit-zwarte reconstructies van akelig weefsel en onderzees reliëf; een gebarsten, lichtblauw brein met de aders van een roker; een koker- en een wiervormig zeedier die elkaar op de zeebodem gezelschap houden.

Wie eerst de centrale of linkse ruimte bezoekt, zou bijna vergeten dat het allereerste werk in de rechterzaal een schilderij van Ensor is. Dekyndt koos Stilleven met chinoiserieën (1907) uit de collectie van het museum. De blik op de tentoonstelling verschuift daardoor naar kunst en handel – Ensor schilderde koopwaar uit het winkeltje van zijn moeder – maar de zee blijft hoorbaar. De decoratieve rechthoekige muurelementen Kangxi, The Historical Weaving Sandblasted Patterns en I Feel the Earth Move vallen op hun plaats, en ook het gordijn wordt exotische handelswaar. In een klein paviljoen, toegankelijk vanuit de rechterzaal, hangen nog drie schilderijen, gemaakt door ‘drie Vlaamse kunstenaars – Albert Servaes, Hubert Malfait en Jos Verdegem – die in 1940 deelnamen aan een studiereis naar nazi-Duitsland op uitnodiging van Joseph Goebbels,’ zo stelt de bezoekersgids. De werken staan ook op een glazen rek uitgestald, net als de strandvondsten in de linkervleugel. Door stenen en schilderijen op dezelfde wetenschappelijke manier uit te stallen, spant Dekyndt een koord tussen de twee uitersten van deze tentoonstelling: de natuur waarmee alles begint en de cultuur waarmee alles eindigt.

In 2026 kun je het niet over stranden hebben zonder onder ogen te zien dat ze opschuiven. De stijgende zeespiegel klauwt het strand steeds verder weg en hoest het terug op. Daar heeft enkel de landzijde schuld aan. Het loont om lang naar Dame Kasuga Nene te kijken. Een dierenhuid – gegeerd object op het droge – is gedeeltelijk bedekt met medisch verband. Het slaat lichter en doffer uit en lijkt van ver op één aaneensluitend stuk stof, maar in werkelijkheid bestaat het uit kleine gelijkvormige strips. Cultuur, ook de kunst van Ensor, is een tijdelijk lapmiddel voor alles wat de natuur is aangedaan – eenzelfde pleister voor wonden die we toch weer zullen openrijten. Daaronder krioelt er iets, een etterende wonde of het begin van een vitale uitbraak.

 

Edith Dekyndt. It could be James on the beach. It could be. It could be fresh and clear, tot 17 mei, Museum Dhondt-Dhaenens, Museumlaan 14, Deurle.