width and height should be displayed here dynamically

Eduard Cuypers. Leven & werk

Eduard Cuypers temidden van de medewerkers met wie hij meedeed aan de Prijsvraag voor het Vredespaleis in Den Haag, Amsterdam, 1906, foto Alex Bratsch

Bij de architectennaam Cuypers zullen veel mensen denken aan het Rijksmuseum, het Centraal Station in Amsterdam of aan talloze kerken – gebouwen van Pierre Cuypers (1827-1921). De kathedrale basiliek Sint-Bavo in Haarlem of de effectenbeurs in Amsterdam zijn dan weer bouwwerken van de zoon van Pierre, Joseph Cuypers (1861-1949). Pierre had echter ook een neef, Eduard Cuypers (1859-1927), met een even omvangrijk als veronachtzaamd oeuvre. Het was dan ook opmerkelijk dat in 1982 de Amerikaanse kunsthistoricus Helen Searing de invloed van Eduard Cuypers op de Amsterdamse School aan de orde stelde, in een bijdrage aan het door haar samengestelde boek In Search of Modern Architecture. A Tribute to Henry-Russell Hitchcock. Veel architecten die tot deze stroming worden gerekend, werkten enige tijd op het bureau van Cuypers. Maar liefst 63 medewerkers kregen van hem de vrijheid om zich naar eigen kunnen te ontplooien. Dankzij zijn grote bibliotheek konden ze kennisnemen van de nieuwste ontwikkelingen in de Europese architectuur. Cuypers confronteerde zijn medewerkers met de vele indrukken die hij tijdens zijn reizen had opgedaan. Vooral in Duitsland had hij veel contacten. Zijn werk vertoont overeenkomsten met dat van Friedrich Ostendorf en Fritz Schumacher. Ook de Engelse bouwkunst liet sporen na. Cuypers drong zijn werknemers echter nooit een bepaalde stijl op, maar liet die vooral afhangen van hun eigen talent en de wensen van de opdrachtgever. Hij leek vooral te willen plezieren, eerder dan één architectuurtheorie aan te hangen. In tegenstelling tot zijn bekende oom en neef hield Eduard zich amper bezig met kerkenbouw en zocht hij naar een vrijheid van expressie. Zijn opdrachtgevers bevonden zich vooral in de bovenste lagen van de samenleving en waren niet geïnteresseerd in hoogdravende theorieën over een nieuwe samenleving. Doordat hij nauwelijks deelnam aan de debatten over vernieuwing in de bouwkunst, bleef hij aan de zijlijn staan.

Om ruchtbaarheid te geven aan zijn werk en om mogelijke opdrachtgevers aan te spreken, begon Cuypers in 1903 het tijdschrift Het Huis, dat vanaf 1905 Het Huis Oud & Nieuw ging heten. Volgens Cuypers was er in de traditionele tijdschriften ook te weinig aandacht voor zijn werk, en met een eigen blad kon hij de publiciteit op smaakvolle wijze in handen houden. De titel suggereert belangstelling voor de historische bouwkunst en verwijst naar Cuypers’ zoektocht naar verbinding tussen oud en nieuw. Toch werd het magazine geen spreekbuis van de Amsterdamse School. Omgekeerd zijn in het idioom van Cuypers niet veel kenmerken van deze stroming terug te vinden, ook al was hij niet wars van expressieve architectuur.

Dat Cuypers in verschillende stijlen kon werken en dat hij die veelzijdigheid wilde laten zien, komt het duidelijkst naar voren in zijn ontwerpen voor de prijsvraag van het Vredespaleis in Den Haag in 1906. Het project komt aan bod in de nieuwe studie van architect en stedenbouwkundige Obbe Norbruis, Eduard Cuypers. Leven & werk. Norbruis vermoedt dat de architect een wedstrijd binnen zijn eigen bureau organiseerde. De opzet werd door hemzelf bepaald, maar de uitwerking werd aan medewerkers overgelaten. Het resultaat waren vier geheel verschillende ontwerpen waarmee Cuypers een poging deed erachter te komen ‘waar het met de architectuur wereldwijd heen ging’. Het laat vooral zien dat Cuypers weinig moeite deed om zijn eigen stempel op een ontwerp te drukken.

Zijn gebouwde oeuvre in Nederland wordt uitvoerig belicht in de publicatie van Norbruis, die al eerder publiceerde over wat Cuypers in Nederlands-Indië bouwde. De nieuwe studie bestaat uit twee kloeke delen, over het leven en werk van Cuypers (inclusief een verklaring voor ‘hoe hij verdween uit onze architectuurgeschiedenis’) en met een catalogus van het gebouwde werk in Nederland, met 260 items, waaronder nauwelijks monumentale openbare bouwwerken. Aan het begin van zijn carrière bouwde Cuypers veel statige huizen in Amsterdam, waarna hij langzaam zijn portefeuille uitbreidde tot andere delen van Nederland. In 1891 ontwierp hij het station van ’s-Hertogenbosch en in de jaren daarna realiseerde hij 22 kleine stations voor de Noordoosterlocaalspoorweg-Maatschappij (NOLS). Ook sanatoria en ziekenhuizen – functioneel, maar niet bijzonder opvallend uitgevoerd – zijn veelvoorkomende gebouwtypes in het oeuvre van Cuypers.

Op de vraag of Helen Searing gelijk heeft wanneer ze de invloed van Cuypers op de Amsterdamse School benadrukt, en daarmee de rol van Berlage als vader van de moderne Nederlandse bouwkunst ter discussie stelt, geeft Norbruis geen antwoord. Er is vaker geprobeerd de impact van Berlage te relativeren, hoewel veel jonge architecten in hem een opvallend voorbeeld zagen om aan architectuur een maatschappelijke waarde te geven. Bovendien omarmde Berlage nieuwe materialen en wierf hij talloze architecten aan – van Oud tot Roosenburg. Ook via zijn publicaties oefende hij invloed uit. Berlage zocht naar een weg om de toenemende individualisering tegen te gaan en hij beschouwde de bouwkunst als de leidende kunst van de toekomstige samenleving. Een verbinding tussen stedenbouw, volkswoningbouw en architectuur was daarbij cruciaal. Bij Cuypers vinden we niets van dit maatschappelijk engagement terug. Zowel stedenbouw als sociale woningbouw hadden zijn belangstelling niet, en daardoor kreeg hij een marginale positie toebedeeld in de architectuurgeschiedenis, ten voordele van architecten die een nieuwe, betere wereld voorstonden. Het verklaart waarom sinds zijn dood in 1927 over hem gezwegen werd. Hoewel Norbruis duidelijk maakt wie Eduard Cuypers was, blijft het twijfelachtig of het familielid van Pierre en Joseph een meer prominente plaats in de Nederlandse architectuurgeschiedenis heeft verkregen.

 

Obbe Norbruis, Eduard Cuypers. Leven & Werk, Edam, LM Publishers, 2025, ISBN 9780460229527.