width and height should be displayed here dynamically

Elementaire deeltjes en groot geld

De wereld volgens Crimson

De rede die Wouter Vanstiphout hield bij de uitreiking van de Maaskantprijs herinnert mij aan een anekdote die zich afspeelt rond een beroemde titelstrijd tussen twee schaakgrootmeesters – ik ben vergeten wie het waren. De een was een fervent niet-roker en had bedongen dat er tijdens de wedstrijd niet zou worden gerookt. Tijdens de wedstrijd haalde zijn opponent een sigaar uit zijn koker, rolde hem tussen zijn vingers, legde hem naast het bord, nam hem weer op en bekeek hem aandachtig. Vervolgens legde hij hem weer neer. Dat ging zo een tijdje door. Het kan zijn dat hij op een zeker moment zorgvuldig het puntje van de sigaar knipte, eraan rook en luisterde naar het knisperen van de tabak als hij de sigaar bij zijn oor hield. De niet-roker werd daar buitengewoon nerveus van en beklaagde zich bij de wedstrijdleiding. Die kwam kijken, keek in het vriendelijk glimlachende gezicht van de sigarenman en kon niet anders concluderen dan dat er geen sigaar in zijn mond stak en dus dat er niet gerookt werd. “Nee”, zei de tot op het bot getergde grootmeester, “maar hij dreigt er wel voortdurend mee!”

Vanstiphouts tekst blinkt uit in een soortgelijk spel. Hij flirt met zaken die de afgelopen tijd op zijn zachtst gezegd omstreden zijn geraakt: het gedachtegoed van Pim Fortuyn en het populisme. Het zuigende karakter van de tekst, die duidelijk is geschreven om een reactie op te roepen, zal velen ervan weerhouden er direct op te reageren. Je zult maar als die kinderachtige niet-roker te kijk worden gezet…  Ik vind echter dat er wel degelijk een kwalijke damp uit opstijgt, en dan doel ik niet alleen op de rook van de puinhopen zoals Crimson die afbeeldt op de omslag van het boek Too Blessed To Be Depressed. [1]

Spot, zelfspot, ironie en een zuigende en schmierende polemiek zijn altijd ingrediënten van het werk van Crimson als Vanstiphout aan het woord is. Dat dat soms tot ranzigheid leidt is ook de jury van de Maaskantprijs niet ontgaan. “Als type zet hij de querulant of de onberekenbare cynicus met verve in om verwachtingspatronen te ontregelen en visies onderuit te halen. Analoog aan de kruisgreep van Michael Jackson schuwt hij het publieke effect in geschrift en presentatie niet,” aldus het juryrapport. “Het is een wereld waarin het morele als categorische imperatief heeft afgedaan en de ontwerper zich onthoudt van zelfcensuur. Althans, tot op zekere hoogte. Want zoals Jackson de grenzen van het betamelijke voor zijn publiek opzoekt door dan weer androgyn (white Jackson), dan weer vulgair (kruisgreep), dan weer hard (sfeer van gewelddadigheid) en dan weer virtuoos te zijn (moonwalk), zo schakelt Vanstiphout moeiteloos over tussen hielenlikkend gevlij, ontmaskerende spot, pure ijdeltuiterij, scherpe analyse en rake typering.” Wat Vanstiphout nu met dat alles wil, daar durft ook de Maaskantjury de vingers niet aan te branden: “Als bad guy en good guy in afwisseling of tegelijk belichaamt hij een nieuwe manier van optreden die niet in het teken staat van engagement maar van de provocatie.” [2]

Crimson is een collectief van architectuurhistorici dat zijn naam ontleent aan wat Helen Searing ‘The Crimson Connection’ heeft genoemd: een groep architecten en theoretici gerelateerd aan Harvard die een cruciale rol speelden bij de verspreiding in de Verenigde Staten van het modernisme als stijl (in tegenstelling tot het modernisme als ideologische beweging). Crimson bewondert onder anderen Philip Johnson en Charles Jencks: “Door de ontmanteling van het lineaire historicisme, of ahistoricisme, waarmee het modernisme zichzelf legitimeert, verandert de architectuur in een gemeen goed; de mensen zijn weer vrij te kiezen wat ze willen en het wordt eindelijk weer mogelijk om je hersens en je ogen te geloven bij het kijken naar en gebruiken van architectuur. Johnson en Jencks behoren tot dezelfde tak van de ‘Crimson Connection’ omdat ze allebei beroemd, rijk en anti-essentialistisch zijn. Ze geloven niet in een platonische waarheid, in een onzichtbare dimensie van de architectuur die haar waarde zou bepalen. Bovendien beschouwen ze de mens vooral als een intelligent wezen dat in staat is om voor zichzelf te zorgen.” [3] In Mart Stam’s Trousers: Stories from behind the Scenes of Dutch Moral Modernism proberen de leden van Crimson op vergelijkbare wijze als hun Amerikaanse helden de geschiedenis van de Nederlandse architectuur te ontdoen van haar politieke en ideologische lading. [4] Dat daarmee de geschiedenis in een aantal gevallen geweld wordt aangedaan zien velen over het hoofd omdat het boek zo polemisch en amusant is om te lezen. Dat de moraal die Crimson in de Nederlandse architectuurgeschiedenis probeert te lezen vervangen wordt door een andere viel bovendien in de politieke coma van de jaren negentig nauwelijks op.

In zijn rede verhaalt Vanstiphout van de buitengewoon intieme relatie die Crimson onderhield met het Paarse architectuurbeleid. Wie goed leest ziet dat hij daar weinig specifieks over zegt en zelfs suggereert door dat beleid te zijn tegengewerkt. Hij beklaagt zich over het zijns inziens onmogelijk in beweging te krijgen systeem van ruimtelijke ordening in Nederland. Maar in feite is Crimson al jaren het troetelkind van het andere gezicht van het Paarse architectuurbeleid, niet zoals de naam van het bureau suggereert het rode maar het blauwe gezicht, dat deregulering en privatisering promoot. Met de publicaties Re-Arch en Re-Urb – beide geschreven in opdracht van het Stimuleringsfonds voor Architectuur – en Vanstiphouts essay in Het Wilde Wonen is Crimson daar zelfs de ghostwriter van. [5] In alle drie de gevallen gaat het om publicaties die willen stimuleren dat de dynamiek van het alledaagse leven een grotere rol gaat spelen in de gebouwde omgeving. Daar is natuurlijk niets op tegen, ware het niet dat in veel gevallen deze dynamiek in de eerste plaats wordt toegelaten om geld van marktpartijen een groter aandeel te geven in de ontwikkelingen. De Nederlandse overheid kan de restauratie van alle monumenten immers niet meer bekostigen, de steden hun stedenbouw niet meer en de subsidies op de sociale woningbouw zijn afgeschaft. Om dit geld uit de markt te halen moet drastisch worden gedereguleerd, waarmee de overheid in feite afziet van democratische sturing en controle van de ontwikkelingen. De publicaties van Crimson moeten duidelijk maken dat het toch allemaal heel mooi kan worden, op wat voor verschillende manieren dan ook.

In zijn bijdrage aan Carel Weebers boek Het Wilde Wonen gaat Vanstiphout  echter nog een stap verder. Hij vergelijkt Weeber onomwonden met Michail Gorbatsjov, als een held die “grote, oude, inerte, fijnmazige en wijdvertakte systemen heeft afgeschaft en daar geen nieuwe voor in de plaats heeft
gesteld”. [6] Het is een retoriek die herinnert aan Margaret Thatchers statement dat er niet zoiets als een samenleving bestaat. Vanstiphouts karakterisering is bovendien onjuist, want op de omslag van het boek valt met koeienletters te lezen dat het gaat om “het afscheid van het staatsdenken in de architectuur. Het is een aanzet om woonhuizen en woonomgeving voor een geëmancipeerde bevolking in een vrije markt gestalte te geven”. Er is dus wel degelijk sprake van de vervanging van een oud door een nieuw systeem. Hoe vrij die vrije markt is wordt aan het einde van Vanstiphouts stuk duidelijk als hij de centrale rol van de overheid in het planningsproces vervangt door die van ERA Bouw, Weebers financier bij de ontwikkeling van het Wilde Wonen. Wat door moet gaan voor een pleidooi om de architectuur terug te geven aan het volk is in feite een pleidooi om grote bouwbedrijven meer macht en zelfs de centrale regie te geven. Nu het Wilde Wonen vergaand geïnstitutionaliseerd is, wordt duidelijk dat het daarbij in het geheel niet gaat om de realisering van individuele woonwensen. Binnen de kortste tijd zijn enkele grote bouwbedrijven erin geslaagd de markt zodanig te domineren dat er sprake is van een nog grotere homogeniteit dan voorheen. [7]

Vanstiphout gaat in zijn essay uitgebreid in op het feit dat het toelaten van meer marktwerking een tekort aan goedkope woningen zal doen ontstaan. Dat is inmiddels ook feitelijk gebeurd. De markt blijkt niet in goedkope woningen geïnteresseerd. Vooronthullingen voor de parlementaire enquête over de bouwfraude in Nederland maken duidelijk dat door omkoping van ambtenaren bouwbedrijven konden speculeren met bouwgrond, waardoor zeker 1 miljoen woningen ongeveer een ton te duur zijn opgeleverd. Maar natuurlijk zijn kartelvorming, fraude en corruptie alleen illegaal omdat de staat dat zegt en dus voor Vanstiphout waarschijnlijk geen probleem. Vanstiphout pleit er dan ook voor om nog meer markt toe te laten om het probleem van de volkshuisvesting op te lossen. Elegant heeft hij het over de noodzaak om de stedenbouw en planologie aan te passen aan de maatschappelijke differentiatie. Hoe dat nu precies een oplossing biedt voor het tekort aan goedkope woningen wordt echter niet duidelijk. Misschien moeten we die oplossing bij Carel Weeber zoeken, die in 1997 liet optekenen dat het voor mensen toch mogelijk moest zijn om in caravans te wonen als ze dat willen. [8] Het is een opmerking die herinnert aan de vergoelijking van het daklozenprobleem toen dat in de jaren negentig opkwam, als zouden de meeste daklozen zelf zo graag op straat leven omdat ze dan optimaal van hun vrijheid konden genieten.

Het einde van de subsidiëring van de sociale woningbouw heeft er inmiddels toe geleid dat een kleine groep bouwers, ontwikkelaars en makelaars zó rijk is geworden, dat zij in staat bleek een eigen politieke partij te kopen. De verkiezingscampagnes van Pim Fortuyn en de LPF zijn vrijwel geheel gefinancierd door een kleine groep rijke mannen uit de onroerendgoedwereld, die claimen dat zij als grootaandeelhouders de dienst in de partij mogen uitmaken. Mat Herben pleit inmiddels zelfs voor een partij zonder leden naar het model van Berlusconi. Het is geen verrassing dat het regeerakkoord tussen CDA, LPF en VVD uitsluitend voorziet in het bouwen van dure woningen in probleemwijken om de differentiatie van de bevolking ter plaatse te vergroten. Over het lot van de minder gefortuneerden die daar nu wonen wordt met geen woord gerept.

Inmiddels verbaast het dan ook niet dat de positie van Crimson gevaarlijk dicht bij die van Pim Fortuyn lijkt te komen. Dit voorjaar stond op de website van Archined te lezen dat Fortuyn na “een tip van Wouter Vanstiphout” Carel Weeber had gevraagd om namens Leefbaar Rotterdam wethouder van Ruimtelijke Ordening te worden. Weeber bedankte voor de eer omdat hij kort voor zijn pensioen meer tijd voor zichzelf wil vrijhouden. [9] Vanstiphout heeft in het openbaar nooit afstand genomen van dit bericht.

In zijn rede ter gelegenheid van de uitreiking van de Maaskantprijs houdt hij een opmerkelijk pleidooi voor populisme dat op verschillende niveaus sterke overeenkomsten vertoont met de denkwereld van Fortuyn. Zoals Fortuyn in zijn autobiografie trots schrijft over zijn beginnende ondernemerschap, na een gedwongen vertrek bij de Groningse universiteit, zo presenteert Vanstiphout Crimson als het eerste bureau van architectuurhistorici dat in “de vrije (subsidie)markt” werkt. [10] De architectuur van de huidige generatie ontwerpers wordt door hem vervolgens bekritiseerd omdat deze zo vernuftig is dat “de meeste oplossingen die bedacht zijn nog jaren zullen moeten wachten voor er zich een passend probleem aandient”; daarmee gaat hij voorbij aan de vele gerealiseerde en succesvolle ontwerpen die deze generatie op haar naam heeft staan. Terecht krijgt wethouder Kombrink een sneer voor zijn pogingen de door Crimson georganiseerde IBT in Hoogvliet te verhinderen ten faveure van een zichtbaarder project in de binnenstad van Rotterdam. Natuurlijk is dat een vorm van grandstanding die – zeker voor een
sociaal-democraat – getuigt van minachting voor de werkelijke issues. Maar de wijze waarop de sneer gestalte krijgt doet denken aan de verhalen van leden van de LPF die door sociaal-democraten in hun persoonlijke ontwikkeling menen te zijn geblokkeerd, waarna ze zich in de markt zouden hebben gerevancheerd. In het geval van Crimson is dat, gezien hun directe liaison met de politiek, bovendien hypocriet.

Op de manier zoals Fortuyn dat doet in De verweesde samenleving en De puinhopen van acht jaar paars, bekritiseert Vanstiphout vervolgens de “dichtgeklonken bestuurlijke systemen” en het falen van de integratie van immigranten; hij pleit voor het toelaten van “donkere instincten”. In Too Blessed To Be Depressed is zelfs een heel hoofdstuk aan “onderbuikgevoelens” gewijd. Vanstiphout baseert zijn verdediging van het populisme op een beperkte woordenboekdefinitie die teruggrijpt op de oorspronkelijke Amerikaanse betekenis. Die definitie gaat voorbij aan de betekenis die het populisme in de loop van de twintigste eeuw heeft gekregen en al helemaal aan het marktpopulisme zoals dat in de jaren negentig zijn opwachting maakte. De merkwaardige paradox van dit marktpopulisme is nu juist dat het geen daadwerkelijke beweging vanuit de basis is maar dat steenrijke ondernemers het volk weten te mobiliseren, zoals Thomas Frank in zijn artikel The Rise of Market Populism uiteenzet. Het economische succes van een ondernemer of onderneming wordt gelijkgeschakeld met de liefde van het volk. [11] In Vanstiphouts definitie gaat het om “het mobiliseren van mensen als individuen in plaats van als onderdelen van een sociaal-economische categorie”. In de context van zijn betoog klinkt dat als een prachtig, bezonnen en romantisch ideaal. Maar feit is dat er toch iets of iemand moet zijn om die individuen  te “mobiliseren”. Koppelen we dat aan Vanstiphouts lofzangen op de rijkdom van Jencks en Johnson in Too Blessed To Be Depressed en op ERA Bouw in Het Wilde Wonen, dan weten we uit welke hoek de wind waait.

Wie wil weten hoe de mobilisatie van individuen gestalte krijgt in de IBT voor Hoogvliet, zal merken dat de werkwijze volkomen is toegesneden op planning in een gedereguleerde samenleving. Uit de diagrammen in het boekje WIMBY! Welcome into My Back Yard! blijkt dat de marktpartijen daarin de dominante positie innemen en dat ook overheidsinstanties vaak marktgericht opereren. [12] Binnen de IBT valt vooral het project voor een website op, door middel waarvan het publiek als een virtuele bouwmeester zijn oordeel kan uitspreken over het stedenbouwkundig plan van Maxwan. Aan de hand van een serie vragen kan de bezoeker van de website een keuze maken uit een van de veertig planvarianten die zijn gemaakt, waarmee gesuggereerd wordt dat er spake is van een directe vorm van inspraak. Op zichzelf is dit een buitengewoon interessant experiment. Het herinnert aan de manier waarop klanten zelf hun computer kunnen samenstellen op de website van bijvoorbeeld Dell of Apple. De kleine lettertjes op dergelijke websites ontbreken echter: het publiek heeft geen idee van de juridische en financiële implicaties. Uiteindelijk zal het plan toch door de gemeenteraad moeten worden goedgekeurd en zal de belangstelling van individuele ontwikkelaars en investeerders moeten worden gewekt. Hieruit blijkt dat het een buitengewoon romantisch idee is om een representatieve democratie, een marktdemocratie en inspraak met elkaar te verwarren. Zeker zal het nodig zijn om nieuwe vormen van democratie te ontwikkelen, maar alleen “Fuck you!” te zeggen tegen de bestaande vormen van representatieve democratie is toch wat te simpel, temeer daar het “welcome” van WIMBY! vooral de marktpartijen lijkt te betreffen. De vraag is of die in een achterstandswijk als Hoogvliet zijn geïnteresseerd. De realisatie van concrete projecten in Hoogvliet komt dan ook maar moeizaam op gang. [13] Het argument dat de IBT als een katalysator functioneert is mooi, maar de vraag is als katalysator van wie, wat en waarvoor?

Aan het slot van Vanstiphouts rede komt de aap uit de mouw. Hij vertelt hoe foto’s van de interieurs van Hoogvlietse huizen tien keer uitvergroot op sloopflats worden aangebracht, en noemt een ornamentaal programma dat ontworpen is door het Londense bureau FAT. Een en ander zou tot doel hebben “een ook door ons diep gevoelde behoefte aan collectiviteit, groteske schoonheid, dorpsheid, harde muziek, groen, nostalgie, gegrilde worstjes en pastoraal geluk te bevredigen, hier en nu”. Bijna zou ik geneigd zijn te zeggen dat ook ik daarnaar verlang. Ik bevredig dat verlangen trouwens ook regelmatig. De crux zit echter niet alleen in de aan Pim Fortuyn herinnerende hang naar geborgenheid in de directe omgeving, waarvan Crimson overigens in het WIMBY!-boekje terecht constateert dat deze met name bij immigranten allang vervangen is door een actief gebruik van ruimtelijk, cultureel en economisch veel complexere netwerken. De crux zit in het ‘ook wij’. Niet alleen verraadt dat dat het in feite gaat om de onvervulde wensen van de kleinburger, die het volk als fetisj inzet. Het is de beeldtaal van de meeste reclame-spotjes. Dit populisme staat geheel in dienst van de instantbevrediging waar de markt al zo goed in is en waarbij duurzame culturele en maatschappelijke ontwikkelingen geen enkele rol spelen, buiten het versterken van de positie van de eigen onderneming. Dat is cynisch, als we bedenken dat het eigenlijke programma dat Crimson zegt na te streven – de verbetering van een vergeten achterstandswijk – in het door hen zo verafgode marktsysteem hooguit gerealiseerd zou kunnen worden wanneer we in Europa een cultuur van filantropie en liefdadigheid toelaten zoals die ook ten grondslag ligt aan het jeffersoniaanse Amerika, inclusief belastingvrijstellingen. Maar hebben we er in Europa niet meer dan een eeuw voor gevochten om dat te vermijden, door te proberen een rechtvaardige verdeling van welvaart onder te brengen in een democratisch systeem?

 

Noten

[1] Crimson, Too Blessed To Be Depressed, Rotterdam, 010 Publishers, 2002.

[2] Geciteerd uit het rapport van de jury, die bestond uit Adriaan Geuze, Jaap Huisman en Arjen Oosterman.

[3] Crimson, op. cit. (noot 1), pp. 137-139.

[4] Crimson e.a., Mart Stam’s Trousers: Stories from behind the Scenes of Dutch Moral Modernism, Rotterdam, 010 Publishers, 1999.

[5] Crimson, Re-Arch. Nieuwe ontwerpen voor oude gebouwen, Rotterdam, 010 Publishers, 1995; Crimson, Re-Urb. Nieuwe plannen voor oude steden, Rotterdam, 010 Publishers, 1997; Carel Weeber, Het Wilde Wonen, Rotterdam, 010 Publishers, 1998.

[6] Wouter Vanstiphout, Naar het Wilde Plannen, in: Weeber, op. cit. (noot 5), pp. 61-91.

[7] Zie o.a. Bart Lootsma, Pim Fortuyn und die Bauindustrie, in het te verschijnen nummer 162 van ARCH+.

[8] Bernard Hulsman, Het wilde wonen. Carel Weeber wil af van het rijtjeshuis, in: NRC Handelsblad, 4 april 1997.

[9] Piet Vollaard, Weeber weigert wethouderschap, www.archined.nl, 10 april 2002.

[10] Pim Fortuyn, De puinhopen van acht jaar Paars, Uithoorn/Rotterdam, Karakter Uitgevers & Speakers Academy, 2002.

[11] Thomas Frank, The Rise of Market Populism: America’s New Secular Religion, in: The Nation, www.thenation.com, 30 oktober 2000.

[12] Crimson, WIMBY! Welcome into My Backyard!, Rotterdam, NAi Uitgevers, 2000.

[13] Zie onder andere Frido van Amerongen, Internationale Bouwtentoonstelling-Hoogvliet, www.archined.nl, 25 juni 2002; Jeroen Mensink, Hoogvliet Hip! Toekomstvoor
spelling of loos alarm?,
www.archined.nl, 25 juni 2002.