width and height should be displayed here dynamically

Groot, groter, grootst. Magdalena Abakanowicz

Magdalena Abakanowicz. Human Nature, Noordbrabants Museum ’s-Hertogenbosch, 2025, foto Gert Jan van Rooij

In de jaren zestig maakte de textielkunst een grote verandering door. Makers eisten niet alleen erkenning voor zichzelf als kunstenaars, maar vroegen ook waardering voor technieken zoals weven, knopen en borduren als volwaardige kunstvormen. De Biënnale van Lausanne (1962-1995) was een belangrijk platform voor deze omwenteling. Oorspronkelijk was ze gericht op wandtapijten, maar algauw werd ze het epicentrum van een nieuwe internationale stroming, de Fiber Art Movement. Textiel brak los uit het vlak van het weefgetouw en claimde de ruimte. Monumentale installaties met verschillende technieken gaven de textielkunst een nieuwe, grootse vorm. Een van de invloedrijkste pioniers was de Poolse Magdalena Abakanowicz (1930-2017). Haar werk domineerde ook de baanbrekende tentoonstelling Wall Hangings (1969) in het MoMA in New York. Nederland bood haar bijzonder vroeg een podium. In 1965 exposeerde ze in het Van Abbemuseum in Eindhoven, gevolgd door een solotentoonstelling in het Stedelijk in 1968. Een jaar later gaf de tentoonstelling Perspectief in textiel in hetzelfde museum de nieuwe textielkunst volop ruimte, met Abakanowicz als boegbeeld. Jack Lenor Larsen, curator van Wall Hangings, schreef dat haar werk ‘de ruimte vult en in bezit neemt’ door de enorme schaal en ‘monolithische kracht’.

Anno 2025 is de belangstelling voor textielkunst groot. Het Stedelijk Museum speelde hier recent op in met Unravel. The Power and Politics of Textiles in Art (zie De Witte Raaf, nr. 232), waarin het narratieve aspect van textielkunst een hoofdrol speelde. Het drieluik Magdalena Abakanowicz. Groot, groter grootst, te zien in ’s-Hertogenbosch en Tilburg, toont dat het bij Abakanowicz overwegend gaat om materiaal en vorm. Haar beroemde Abakans – monumentale, abstracte sculpturen in aardkleuren – betekenden begin jaren zestig haar doorbraak. Deze installaties, die verschillende materialen en technieken combineren, hangen vrij in de ruimte en lijken te ademen met hun omgeving. Ze getuigen van een visie: de mens is onderdeel van een groter, natuurlijk geheel. De kunstenaar was al vroeg betrokken bij de Club van Rome, bezocht neurologische laboratoria en ontwierp in de jaren negentig een utopische woonwijk voor Parijs, met woontorens in boomvorm.

Aanleiding voor het Brabantse drieluik vormt Bois le Duc (1970-1971), haar grootste Abakan, die bestaat uit negentien grote banen van elk zeven meter hoog, gemaakt voor de gelijknamige zaal in het Brabantse Provinciehuis. Deze zomer is Bois le Duc op beperkte tijden te bezoeken. Het drieluik wordt hoofdzakelijk gedragen door twee tentoonstellingen: Human Nature in het Noordbrabants Museum en Everything is Made of Fiber in het TextielMuseum. Deze tentoonstellingen, ondersteund door de Abakanowicz Charitable Foundation, gaan vergezeld van een internationaal symposium en een publicatie, dit najaar, bij Hatje Cantz.

Abakanowicz werd drie jaar terug geëerd met een grote solotentoonstelling in Tate Modern, waar vooral de Abakans centraal stonden. Het Brabantse retrospectief benadrukt het brede spectrum van een lange carrière. Na Bois le Duc distantieerde Abakanowicz zich van de Fiber Art Movement. Ze verbreedde haar oeuvre met sculpturen in ‘hardere’ materialen zoals brons en hout, hoewel textiel terug bleef komen. Waar Tate Modern de werken museaal uitlichtte, is dit in Brabant opvallend anders. Niet alleen omdat textiel relatief lichtgevoelig is, maar bovenal omdat het de wens van Abakanowicz zelf was. In ’s-Hertogenbosch is het licht gedempt, waardoor de installaties grote schaduwen werpen en hun aanwezigheid in de ruimte versterken. In Tilburg is het zelfs donker, zoals Abakanowicz het bedoeld had. Op het eerste gezicht vallen sommige textiele werken gedeeltelijk weg; bezoekers zullen de tijd moeten nemen om te wennen aan het donker. Dit idee is interessant, maar de zalen in het TextielMuseum zijn relatief laag en klein, zeker vergeleken met die in het Noordbrabants Museum. Vooral bij drukte kan dit claustrofobisch aanvoelen. Toch illustreert het verschil in opstelling hoe Abakanowicz’ werk zich vormt naar de omgeving.

Ook wat de indeling en thematiek betreft, verschillen de tentoonstellingen in Tilburg en ’s-Hertogenbosch. In het Noordbrabants Museum is de presentatie helder. Hier opent Human Nature met een zeer lange tijdlijn die Abakanowicz’ leven koppelt aan de politieke geschiedenis van het naoorlogse Polen, waar zij ondanks de moeilijke omstandigheden bleef wonen. In de rest van de tentoonstelling is de informatie summier. De ruimtes zijn opgedeeld in zes brede thema’s, die laten zien hoe sterk dit oeuvre draait rond de diepe verbondenheid van mens en aarde. Daarnaast is in elke zaal werk van een tijdgenoot te zien, waarmee Abakanowicz op subtiele wijze in het grotere plaatje van de beeldende kunst wordt geplaatst. Krachtig is bijvoorbeeld de confrontatie van het enorme Abakan Red (1969) met een rode Void (1992) van Anish Kapoor uit fiberglas, in een zaal die omgeving als thema heeft. Waar het werk van Kapoor een optisch spel speelt met de ruimte, nodigt de Abakan uit tot aanraking en zelfs tot verstoppen, zoals in een cocon. Abakanowicz maakte haar Abakans met fysiek contact tussen bezoeker en werk als bedoeling. Nu is dat helaas niet meer mogelijk vanwege hun kwetsbaarheid. Desalniettemin hebben de werken niets aan kracht ingeboet.

Misschien de meest aangrijpende zaal in ’s-Hertogenbosch is gevuld met Crowd III (1988-1989): tientallen harsen afgietsels, allemaal uit dezelfde mal. Het zijn staande figuren, anoniem en zonder gezicht. In een audiofragment vertelt Abakanowicz over het lot van het individu onder het communistische regime. Elke figuur is echter net anders bekleed met jute, wat ze uniek maakt, maar ook gehavend doet lijken. Het museum spreekt van de ‘menselijke conditie’ die deze menigte uitdraagt. Abakanowicz benadrukt met soortgelijke materialen en vormen dat elk lichaam eigen herinneringen en trauma’s meedraagt, maar ook verbonden is met andere levende wezens.

De kleinere tentoonstelling Everything is Made of Fiber in Tilburg is iets minder helder. Uitleg over Abakanowicz’ textiele materialen en werkwijze zou bijvoorbeeld wenselijk zijn, maar de tentoonstelling opent met de Abakans. Pas aan het einde, in een verlichte zaal, staat een van haar weeframen en komen in een video ook voormalige assistenten van de kunstenaar aan het woord. Er wordt slechts bescheiden aandacht besteed aan de invloed van Abakanowicz op Nederlandse kunstenaars. Afwisselend is steeds één werk van een Nederlandse kunstenaar uit de collectie van het TextielMuseum te zien, zoals Herman en Désirée Scholten.

Prachtig passend in Tilburg is Backs (1976-1989), net als Crowd III in ’s-Hertogenbosch een installatie uit een harsen ‘menigte’ bekleed met jute. Ditmaal zijn het zittende, hoofdeloze figuren, die met hun rug naar ons toe zitten in een kleine, donkere ruimte. Het contrast met Crowd III is groot. Deze figuren lijken volledig lamgeslagen, de hoop te hebben verloren. Er is geen uitgang. Het werk raakt met minimale middelen. De Abakans in de aangrenzende ruimtes – zwijgend, donker, maar zacht – lijken een soort troost te willen bieden. Niet de textielhype maakt Abakanowicz’ werk actueel, maar de bescherming en het begrip dat het uitstraalt.

 

Magdalena Abakanowicz. Human Nature en Magdalena Abakanowicz. Everything is Made of Fiber, tot 24 augustus, Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, ’s-Hertogenbosch en TextielMuseum, Goirkestraat 96, Tilburg.