width and height should be displayed here dynamically

Het onwaarschijnlijkste land ter wereld

Midden 1876 was Karl Marx op reis door Duitsland. Op zoek naar een kuuroord voor steenpuisten belandde hij in het Beierse Bayreuth, dat zich opmaakte voor een reeks muzikale feestelijkheden. De sfeer in de stad, zo stelde Marx in een brief aan zijn dochter, werd beheerst door de op handen zijnde première van een langverwachte operacyclus van de meest controversiële Duitse musicus van het moment. ‘Overal waar men komt,’ schreef hij, ‘wordt men lastiggevallen met de vraag: wat vindt u van Richard Wagner?’ Marx’ nieuwsgierigheid was zo groot dat hij probeerde een kaartje voor de eerste voorstelling te bemachtigen. Dat lukte niet en hij moest door het raam naar binnen kijken. In het publiek zat een andere filosoof, Friedrich Nietzsche, die afstevende op een breuk met zijn voormalige mentor en vriend. Wagner dweepte al een tijdje openlijk met christelijke thema’s in zijn composities en vleide de Duitse – en vooral Joodse – burgerij om zijn producties te bekostigen. De voormalige revolutionair van 1848, die net als Marx op de barricaden had gestaan tegen de oude orde, was geweken. ‘Een veredelde hofdirigent,’ zo concludeerde Marx bitter in een brief aan een vriend, waarna hij de Bayreuther Festspiele afdeed als het ‘narrenfeest van een staatsmuzikant’. Wagners liefkozing van het verleden was typisch voor een uitgeputte burgerij die aan haar historische missie verzaakte. Marx had het bijna dertig jaar eerder al omschreven, in Der 18te Brumaire des Louis Napoleon:

‘De traditie van alle dode generaties drukt […] als een nachtmerrie op het brein van de levenden. En juist als ze met een omwenteling bezig lijken, zichzelf en de dingen veranderen en iets lijken te creëren wat er nog niet is geweest, juist in zulke tijden van revolutionaire crisis roepen ze angstig de geesten uit het verleden op en nemen ze hun naam, strijdleus en klederdracht over, om in die eerbiedwaardige vermomming en met die geleende taal de nieuwe wereldgeschiedenis ten tonele te voeren.’

Net die anekdote uit Bayreuth greep Bart De Wever eind 2012 aan in een stuk in De Standaard. ‘Wat Nietzsche zag,’ zo stelde hij, ‘vervulde hem met afschuw. In plaats van het gewone volk, zag hij de gekroonde Duitse hoofden en de hogere burgerij, die immense bedragen hadden neergelegd om aan toegangskaarten te geraken. De lagere burgerij – onder wie Karl Marx – stond met de neus aan het venster om een glimp op te vangen.’ De Wever wilde een punt over de Vlaamse cultuursector maken, die zich in de nasleep van de communautaire crisis in 2009 steeds openlijker had uitgesproken over de Belgische kwestie. In de nasleep van de ‘Niet in mijn naam’-protesten publiceerde hij daarom een lang pleidooi voor een terugtrekking van de kunstensector uit de politiek. ‘Ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf,’ schreef de leider van de N-VA tien dagen vooraleer hij burgemeester van Antwerpen werd, ‘ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren.’

Een dergelijk pleidooi voor l’art pour l’art was natuurlijk impliciet politiek. Als kunstenaars zich stilhielden, dan pas zou het politieke veld openliggen voor de flamingante cultuurstrijd. Kunst die zich daarentegen met politiek mengde – zoals Wagners poging om in Siegfried een Duits nationaal verleden uit te beelden, of zoals de antisemitische kroniek Der Ring – was intrinsiek defect. Dat had Nietzsche, in De Wevers visie, al heel vroeg door: ‘Van Nietzsches artistieke idealen schoot niets meer over’ en ‘gedesillusioneerd verliet hij tijdens de opvoering de zaal’.

De Wever gaf met deze anekdote een heleboel weg. Hij vroeg de Vlaamse kunstensector om hun meer radicale en openlijk politieke opties weg te bergen. Maar de verwijzing droeg ook een ander aspect. De Wever vergeleek impliciet de Duitse burgerij van Nietzsche, Marx en Wagner met die van het hedendaagse Vlaanderen, van schatrijke ondernemers als Huts, De Nul en Verhaeghe – een burgerij die evenzeer een onzekere greep naar de macht ondernam aan het begin van de eenentwintigste eeuw, met behulp van de N-VA en haar ‘baas’ VOKA, de Vlaamse werkgeversorganisatie. Die poging wilde niet echt vlotten. Het was een andere parallel met het bismarckiaanse Duitsland van Wagner en Marx: na het falen van de revolutie van 1848 bleef de Pruisische aristocratie aan de macht. Zij zou de staat blijven besturen terwijl de economie werd geliberaliseerd en de burgerij een toevlucht zocht in winst of in cultuur – de tweestrijd die het hele oeuvre van Adorno zou doorkruisen. Net die ruilhandel frustreerde zowel Wagner, Marx als Nietzsche, die zagen hoe het eerste het tweede op den duur zou opheffen. Een burgerij die een revolutionair verleden mist, levert de beste kunst- en cultuurliefhebbers. Marx hoopte dat het proletariaat hun politieke taak kon overnemen. Nietzsche hoopte op een supermens. Wagner bleef geloven in de verheffende functie van cultuur.

Voor de Vlaamse elite van De Wever gold een dergelijk geloof allerminst, net zoals een 1848 ontbrak. Maar ze zocht geen heil in Kultur. Hoewel ze het kunstenveld subsidieerde, was ze volledig vervreemd van de ‘hoge’ cultuur die zich nu voor een unitair België leek uit te spreken; Huts, Verhaeghe en De Nul hielden het bij de Gouden Eeuw, Studio 100 of voetbalclubs en hadden weinig op met de staatloze kunstenaarselite die zich tegen het Vlaams-nationalisme uitsprak.

De spanning tussen kunst en staat is in Vlaanderen een stuk ouder, en werd al in 1968 op scherp gesteld door Hugo Claus, in een gedicht dat hij samen met Walter De Bock schreef. Het verscheen op 11 juli: ‘Vlamingen! Terwijl gij met de leeuwenvlag zwaait, neemt het buitenlands en voornamelijk Amerikaans kapitaal uw industrieën in, worden SHAPE en NATO door Vlaamse parlementairen in uw land gehaald, en telt de Vlaamse burgerij haar dividenden.’ De Vlaamse kultuur was niets dan ‘een masker voor de Vlaamse burgerij die een economische en politieke macht in handen houdt’. Deze zinnen zijn in het aanhoudende debat over de Vlaamse cultuur nog niet geparafraseerd, maar achter de polemiek schuilt nog een andere, misschien zelfs interessantere vraag. Wie was die Vlaamse burgerij waar Claus het in 1968 over had, en kunnen we die vandaag nog ontwaren? Volgens Matthias Lievens, professor filosofie aan de KU Leuven, is het antwoord bevestigend – zij het met nuances. In een dubbelessay van eind 2020, gepubliceerd in het tijdschrift Lava, bespreekt Lievens de opkomst, sinds de jaren vijftig, van een nieuw segment ondernemers, notabelen en industriëlen die voor de ‘Vlaamse bourgeoisie’ kunnen doorgaan. Het gaat over een nieuwe, zelfbewust flamingante elite, die Lievens benoemt als subaltern: in tegenstelling tot de oude Franstalige elite kan deze groep geen totaal leiderschap over de staat claimen. De macht is bij uitstek aan buitenlandse krachten te danken, vooral in de vorm van Amerikaans kapitaal.

Het ontstaan van De Wevers Vlaamse elite situeert Lievens tijdens de vroege Koude Oorlog. Het Marshallplan van 1947 marginaliseerde de Waalse koolnijverheid en sleurde de Vlaamse landbouw de moderniteit in. Olie zou het hartenbloed van de wereldeconomie worden. Het industriële zwaartepunt in België verschoof: in plaats van Luik en de Borinage werd de Antwerpse rivierdelta de pool voor investeerders. Met de haven als spil zou de Amerikaanse exporteconomie goederen het vasteland insturen. Het Vlaamse groeiwonder had daarvoor hooggeschoolde werkkrachten nodig. Dat werd de inzet van de scholenstrijd van de jaren vijftig, die na de Congolese onafhankelijkheid in 1960 de oude Belgische elite van het podium duwde. In de coulissen wachtten de nieuw-Vlaamse ondernemers, met de Verenigde Staten als sponsor. Het kwam economisch goed uit: petrochemie en kennisverwerving waren de sectoren van de toekomst; staal en kolen hadden afgedaan en waren toch al in te hoge mate onderhevig aan de stakingen in Seraing.

De nieuwe staatselite deed beloftes aan de achterban. De Vlaming werd in opdracht van de CVP overgeheveld uit de stedelijke kern, weg van de stadslucht die hen links zou doen stemmen. Een illusoir landleven werd heruitgevonden, gestut met goedkope bedrijfswagens, pendeltarieven en lintbebouwing die de Vlaming in de stad lieten werken maar ‘op den buiten’ lieten wonen. Suburbanisatie op z’n Vlaams bezorgde de regio het uitzicht van een Amerikaanse voorstad: een koopcentrum hier, een parking daar, een dorpskern waarin enkele stamkroegen trachtten te overleven tegen het geweld van de autosnelweg. De traumatische wonde die Louis Paul Boon in 1979 documenteerde in Het geuzenboek – Vlaanderen werd de toegang tot de moderne wereld ontzegd met de Spaanse inname van Oostende in 1604 – werd gezalfd. In de debuutroman van Boon uit 1943 werd deze uitbreiding al aangekondigd: De voorstad groeit. Het kon tellen na honderd jaar uitbuiting, in een land dat voor én door de Brusselse burgerij was opgericht. In 1920 waarschuwde Paul van Ostaijen nog dat de ‘Vlaamse arbeider wordt over-geëxploiteerd. Ten eerste als arbeider, ten tweede als Vlaamse arbeider met onvoldoende kennis: als handwerker. […] De Vlaamse arbeider komt op de laagste trap.’

Vijftig jaar later was die overexploitatie eindelijk ten einde. Met Amerikaans kapitaal werd de Vlaming in de nieuwe fordistische middenklasse getild; de laatsten werden de eersten in het naoorlogse België. Een nieuw landschap zou voor de Vlaming eindelijk moderniteit brengen. Maar was het die nieuwe burgerij menens met de moderniteit? Internationaal blijft de Vlaamse elite opvallen door politieke onderontwikkeling: een staat en een partij zijn er, maar veel vertrouwen in de eigen macht is er niet. Succesvolle Vlaamse bedrijven die de schaal van kmo ontgroeien, worden al snel aan Amerikaanse multinationals verkocht, zoals Lievens noteert. Die bedrijven blijven de onbetwiste baas in het Vlaamse ondernemerslandschap. Pfizer in Puurs, met voet aan de grond in België sinds 1952 en recent nog verantwoordelijk voor miljoenen coronavaccins, is het beste voorbeeld. Door een Vlaamse canon te laten schrijven (die dit jaar publiek zal worden gemaakt) en door educatieve televisieprogramma’s te laten maken (zoals het op Nederlandse leest geschoeide Het verhaal van Vlaanderen), tracht de Vlaamse elite te camoufleren dat ze nog altijd niet echt kan en wil leiden, en vooral aan achterstallige natiebouw doet – zonder uiteraard de Amerikaanse broodmeesters te veronachtzamen, en zonder zelf een echt onafhankelijke cultuur op te bouwen, zoals Wagner dat probeerde.

Het is een aanzienlijk verschil met de oude elite die België bestuurde, en die wel degelijk zo’n cultuur ter beschikking had, zichtbaar in onder meer de geschiedschrijving van Henri Pirenne en in de gedichten van Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck. Wie geeft er nog om dat oude België? Gelegen in het hart van het oude continent en zetel van enkele van de machtigste instellingen van het Westen, blijft het toevallige centrum van Europa onbekend en onbemind in het buitenland. De voorbije decennia schommelde de Angelsaksische berichtgeving over het land tussen het bizarre en het nonchalante – als er al interesse was. Charles de Gaulles kwinkslag over een staat ‘uitgevonden door de Engelsen om de Fransen te ambeteren’ blijft relevant. Als België in het buitenlandse nieuws komt, gebeurt dat via voorspelbare motieven: een oud koninkrijk op het kruispunt van Europa, een ruw strookje snelweg tussen Parijs en Amsterdam, een kantoor voor de heren van de globalisering. Een uiteenlopende cast bevolkt deze portretten: zwervende militieleden, koloniale mijnmagnaten, kindermisbruikers, corrupte politici, surrealistische schilders, racistische rebellen. Impliciet wordt België uit de wereldgeschiedenis geschreven, overgelaten aan het antiquariaat.

Het land biedt nochtans instructieve contrasten met talloze buurlanden. In 2023 staat België symbool voor de etnische conflicten, regionale ongelijkheid, politieke patstelling, bureaucratische disfunctie, multiculturele spanningen en sociale atomisering waarmee alle rijke landen te kampen hebben. Toch blijft België ook een eeuwige buitenligger. Het beschikt over een van de meest gesyndicaliseerde economieën in de ontwikkelde wereld. Het is een genereuze welvaartsstaat, het heeft een gesubsidieerd maar uitgebreid maatschappelijk middenveld, het ondersteunt een grote en welvarende middenklasse, het heeft socialistische partijen die omvangrijker zijn dan de Franse tegenhangers, en het kan bogen op de meest succesvolle radicaal-linkse partij van Europa. In tegenstelling tot dat andere oude industrieland, het Verenigd Koninkrijk, heeft het veel neoliberale beleidstendensen ontweken. In tegenstelling tot Tsjecho-Slowakije is het niet verdwenen in de twintigste-eeuwse esoterie. Anders dan Frankrijk lijdt het openlijk aan postkoloniaal geheugenverlies. En in tegenstelling tot Nederland maakt de economie van België geen veredeld belastingparadijs met een daaraan verbonden huizenmarkt.

De naoorlogse periode voorziet nog steeds in de beste sleutels tot de huidige situatie. Eind jaren veertig leek de oude Belgische elite de burgerlijke enclave die zij uit de negentiende eeuw erfde – een industrieel rijk met een machtig parlement en een koning, en met een zogenaamd homogeen Franstalige bevolking – bewaard te hebben. Gesterkt door een nieuwe dirigistische planningsstaat en een koningshuis dat een opvolgingscrisis te boven kwam, leek de klassenoase veilig. En toch lag aan het eind van de jaren vijftig de fata morgana aan flarden. Regionale conflicten en concurrentie van buitenlandse producenten, vooral van de Amerikaanse hypermacht, bleken blijvend. In de jaren zestig gingen de Congolese kolonies verloren, kromp de industrie en ontvingen de Vlamingen hun federale concessies. Gedurende de jaren zeventig werd de oude Belgische staat ontmanteld en werd de economie geherstructureerd op maat van de globalisering. De rétardaire elite werd van het toneel geduwd. De commerciële as van het land roteerde noordwaarts, naar de haven van Antwerpen onder Amerikaans militair toezicht, voor een gestage opname in een vroege Europese Unie. Tegen de jaren tachtig begonnen journalisten zich af te vragen of het land het millennium zou overleven.

In die zin lijkt België een steeds ‘onwaarschijnlijkere’ natie, une nation improbable: het kadaver van een grootouder dat door geen enkele vervreemde nakomeling wordt begraven. Maar juist in die onwaarschijnlijkheid is België een voorbeeld voor een steeds onwaarschijnlijker wordende eeuw: als ’s werelds meest succesvolle gefaalde staat, biedt het blijvende lessen voor een wereld die bezaaid ligt met staatsfalen. Gevoelens van herkenning en vervreemding garanderen een brechtiaans Verfremdungseffekt, een close-up die buitenlanders in staat stelt hun eigen land op een nieuwe manier te bekijken. Het is een geschiedenis die niet echt strookt met het dominante beeld dat in het buitenland van België bestaat. Die koppige traditie schildert het land af als een Romeins kampement, verwikkeld in een eeuwige stammenstrijd: tussen Walen en Vlamingen, Franstaligen en Nederlandstaligen, Brusselaars en niet-Brusselaars, Brusselaars en nieuwkomers. Als figuren uit een stripverhaal ondersteunen deze personages een cultuurpolitiek die de laatste decennia de overhand heeft gekregen. Daarbij wordt het klassenperspectief vermeden en wordt voorbijgegaan aan de echte, materiële krachten die de Belgische geschiedenis de laatste zestig jaar hebben gestuurd door de politieke economie vorm te geven. Het is een periode die wordt doorkruist door dekolonisatie, de-industrialisatie, de-urbanisatie, en door de langzame desorganisatie van de Belgische en Vlaamse partijdemocratie.

Wat zijn de thema’s van het naoorlogse België, als de wervels van een historische ruggengraat? Ten eerste is er de langzame dood van de erfenisindustrie die het land als eerste continentale industriële macht in de negentiende eeuw had opgebouwd. In de naoorlogse periode werd dit patrimonium gestaag vervangen door een nieuw commercieel kapitalisme, verankerd in de Vlaamse havens en financiën en sterk onderhevig aan internationale handelsschokken. Ten tweede is er de verbrokkeling van de voorheen unitaire Franstalige staat in verschillende taalgemeenschappen en gewesten. Het impliceerde een breuk met de oude nationale cultuur die het Belgische kapitalisme samenbond, en een versterking van nieuwe regionale actoren. Ten derde is die andere sleutelcomponent van la Belgique à papa verdwenen: het imperium in Congo dat de oude elite winsten bezorgde. Ten vierde is het land langzaam heringericht tot een territorium vol verkavelingen en lintbebouwing – een traag adieu aan de dorpsagglomeraties en stedelijke centra uit het industriële tijdperk. De nieuwe geografie was bedoeld om het radicalisme van de arbeidersklasse de kop in te drukken en Europa’s oudste proletariaat afhankelijk te maken van auto’s en hypotheken. Ten vijfde dreigt onophoudelijk het verval van de zuilen van de partijdemocratie, opgebouwd in het midden van de twintigste eeuw. Deze corporatistische instellingen bemiddelden in de relatie van de Belgische burgers tot de staat, van de katholieke kerken in het noorden tot de seculiere tempels van het socialisme in de zuidelijke steden. De erosie van deze forten maakte de weg vrij voor het separatisme dat de Belgische federale staat in de eenentwintigste eeuw in het vizier nam, en versterkte de nieuwe rancuneuze politiek in het Vlaamse noorden.

Dwars door deze bladwijzers lopen twee oudere uitdagingen voor het Belgische experiment: de nationale en de sociale kwestie. Ook die zijn uit het verleden geërfd. Wat te doen met taalminderheden, hoe de arbeidersklasse te integreren en de binnenlandse economie internationaal te oriënteren? 1958, 1968, 1979, 1991, 1999, 2008 en 2022 waren momenten waarop zowel de nationale als de sociale kwestie zich opdrongen en het Belgische evenwicht verstoorden. Van 1958 tot 1962 verpestten de Vlaamse meerderheid, de Waalse arbeidersklasse en de Congolese rebellen de utopie die de bestuurlijke elite sinds 1945 had opgebouwd. In 1968 kwamen studenten in opstand tegen de Franse overheersing aan de Leuvense universiteit, die werd gesplitst in Vlaamse en Waalse helften. In 1979 stuurde de Volckerschok – de Amerikaanse Federal Reserve trok agressief de rente op en zoog krediet weg uit de wereldeconomie – een stroomstoot door de verouderde, door inflatie geteisterde Belgische economie. In 1991 werd de Europese Unie opgebouwd en doorbrak extreemrechts zijn electorale plafond. In 1999 werd de eerste regering zonder christendemocraten gevormd en trad België binnen in de stilte van de globale posthistorie. In 2008 was dat einde alweer voorbij en implodeerde het Belgische banksysteem na de kredietcrash, wat een nieuw conflict tussen Vlamingen en Walen ontketende. Het gevolg: de langste regeringsformatie in de geschiedenis en een Europese staat zuchtend op zijn sterfbed. Nieuwszenders bundelden berichten over de nakende ondergang van België, maar toen er in 2020 een pandemie uitbrak, was België er nog steeds, ongeschapen maar herschapen, met dezelfde fusie van nationale en sociale vragen.

Samen vertellen deze data een verhaal van voortdurende en halfslachtige aanpassing aan statische disfunctie. In 1945 zaten de Belgische communisten in de regering, verlangden Vlaamse nationalisten naar taalrechten, zat de Belgische landbouw in het slop en brachten Congolese onafhankelijkheidsactivisten de metropool in beroering. In 1947 werd die revolutionaire dynamiek gestuit. In het hogedrukvat van de Koude Oorlog werden de communisten uit de regering gezet. De Vlaamse nationale beweging raakte verstrikt in een golf van repressie. De Congolese kolonie werd gemoderniseerd met het oog op opname in een Europese Economische Gemeenschap. Om een legitimatiecrisis af te wenden, nam de kroonprins de teugels in handen. De bourgeoisie had een manier gevonden om te overleven in een vijandige wereld.

In 1958 bleek die inspanning een illusie en was het burgerlijke België ten einde. In het daaropvolgende decennium ging Congo verloren, dreigden arbeiders met een revolutie en herleefde een nieuw massaal Vlaams-nationalisme. De modernistische huwelijksreis liep ten einde en de scheidingspapieren werden opgesteld. Op de Wereldtentoonstelling in Brussel waren Vlaams-nationalisten woedend over het ontbreken van Nederlandstalige plaquettes op monumenten. Er werd een menselijke dierentuin met Congolese bewoners ingericht en arbeiders gingen aan het staken vanwege de werkomstandigheden. Een jaar eerder had het Verdrag van Rome de eerste steen gelegd van het Europese bouwwerk en de aanzet gegeven tot de arbeidsmigratiegolven die zouden neerstorten in een economie die steeds minder industrieel werd.

Terwijl de Wereldtentoonstelling van 1958 een beeld van illusoire stabiliteit liet zien, wees de brand, met 251 doden, in de Brusselse vestiging van de Belgische warenhuisketen Innovation in 1967, op een zichtbare ineenstorting. De plotse Congolese onafhankelijkheid in 1960 werd gevolgd door een stakingsgolf in de winter van 1960-’61, en door twee Vlaamse marsen op Brussel in 1961 en ’62. Al in 1956 bekeek de Congolese antikoloniale leider Patrice Lumumba Picasso’s Guernica in het Paleis voor Schone Kunsten in dezelfde stad. Toen hij in 1961 werd vermoord, stuurde dat demonstranten voor burgerrechten in New York de straat op. De dekolonisatie stuurde schokken door de oude industriële bassins die afhankelijk waren van goedkope imperiale import. Nadat Belgische havenarbeiders protesteerden tegen de moord op Lumumba, werden de Waalse kolenmijnen in 1962 getroffen door de langste staking uit de Belgische geschiedenis. De conservatieve reactie van de noorderlingen voedde de regionalistische gevoelens in het zuiden en trok de aandacht van internationale radicalen. Opnieuw versmolten de nationale en sociale kwestie.

In hetzelfde decennium werd de Antwerpse rivierdelta een centrale investeringspool voor Amerikaanse multinationals, die een uitvalsbasis zochten voor hun export en een doorvoerlijn naar het West-Duitse groeiwonder. Een nieuwe industriële economie ontstond, gericht op productie met toegevoegde waarde. Met nieuwe middelen kon een rijk en jong proletariaat met hernieuwd elan ook eisen stellen voor taalkundige autonomie. De oase die de Belgische elites voor zichzelf hadden geconstrueerd, begon te vervagen.

De onttroning van het ancien régime culmineerde in de Belgische versie van mei ’68, toen studenten de Franstalige universiteit bestormden en de eerste tekenen van een inflatiecrisis zich manifesteerden, waardoor het systeem van Bretton Woods, dat de Belgische frank aan de Amerikaanse dollar en de goudstandaard had gekoppeld, werd gedestabiliseerd. In de loop van de jaren zeventig verscherpten de de-industrialisatie en denationalisatie de regionale ongelijkheden. In 1979 formaliseerde het Egmontpact een verregaande federalisering van het land, met de geboorte van een extreemrechts blok tot gevolg. België werd meegezogen in een economische spiraal. In 1982 werd de frank door de Nationale Bank gedevalueerd. Een stille administratieve coup moest de noodlijdende economie voorbereiden op de deflatoire Europese Unie. Tegelijkertijd sloegen militieleden aan het moorden in supermarkten, bombardeerden communisten bankgebouwen, kwam er een antinucleaire beweging op gang en steeg de werkloosheid explosief.

In 1991 leek de EU-orde van Maastricht deze wolken te verdrijven. De globalisering hees België in een Europese cocon. In datzelfde jaar brak het Vlaams Blok door, op een platform van anti-immigratiesentiment. Een paar maanden later gingen de laatste Belgische mijnen dicht. De Vlaamse socialisten in hun kerngebied decimerend, luidden de rechtsradicalen de koude nasleep in van de trente glorieuses, gevolgd door een aaneenschakeling van crisissen die het naoorlogse akkoord uiteindelijk deden stranden. De kindermoorden van Dutroux, het dioxineschandaal en het Agustaschandaal gaven aan hoe gammel het Belgische staats- en partijstelsel was geworden. Het hegemoniale centrum van het land stond leeg. De beteugeling van de crisis van de jaren negentig werd door een zachter liberalisme in de jaren 2000 besproken. Een rood-blauwe alliantie tussen socialisten en liberalen combineerde een marktvriendelijke houding ten aanzien van het economisch beleid met een meer libertaire houding ten aanzien van de sociale zeden. Regionale spanningen werden geaccommodeerd en verdoezeld. Paars strandde in 2007, toen de betrokkenheid van de Belgische banken bij Amerikaanse rommelhypotheken leidde tot een regionaal conflict over uitgaven voor reddingsoperaties, waarna het land twee jaar lang leiderloos bleef. De ‘kunst om niet bestuurd te worden’ werd beoefend tijdens de Grote Recessie en de daaropvolgende populistische crises van de jaren 2010. Ook hier ontweek België acrobatisch een reeks uitdagingen die enkel als fataal werden voorgesteld. Het onwaarschijnlijke land had zijn waarschijnlijkheid behouden. Dat is ook hoe het hoofdpersonage het zich herinnert in Doctor Criminale, een roman van de Britse schrijver Malcolm Bradbury uit 1992:

‘Ik zal nooit de avond vergeten die ik doorbracht in dat luxueuze restaurant op de Grote Markt… Buiten ging het leven van de Belgen voort: bonbons eten, chique auto’s in de prak rijden en zich afvragen of België eigenlijk wel een land is.’

Bijna een vol decennium eerder had Hugo Claus in Het verdriet van België een pessimistischer prognose gegeven, en drie jaar voor Claus schreef Walter van den Broeck met Het beleg van Laken zelfs een uitgebreid scenario voor het barsten van België, met soldaten die de Grote Markt bezetten en de koninklijke familie die haar toevlucht zoekt in een boschalet.

Het België van Bradbury is er natuurlijk nog steeds. The Economist sprak, in de vroege zomer van 2021, over ‘the world’s most successful failed state’. Belgen zijn bijna even rijk als Duitsers, maar ze zijn beter af dan Britten of Fransen. De gezondheidszorg is uitstekend, de lonen zijn hoog, de huizenprijzen zijn nooit gedaald. Afgezien van een abnormaal hoog zelfmoordcijfer en de Waals-Vlaamse ongelijkheid, blijft het gros van de Belgen hoogopgeleid, rijk en veilig. ‘Het land leeft in vrede,’ merkte Tony Judt op in 1999, ‘zo niet met zichzelf, dan toch met alle anderen.’ Meer dan Zwitserland, Denemarken of Zweden lijkt dit land de kandidaat bij uitstek voor een beschut, veilig en sociaaldemocratisch paradijs. Toch heeft die welvaart Belgen nauwelijks geïmmuniseerd tegen een diep en onuitroeibaar gevoel van onbehagen. De traditionele partijdemocratie implodeert. De staatscapaciteit neemt af. Extreemrechts is in opmars. In mei 2021 ging korporaal Jürgen Conings op oorlogspad, met als doel, hoogstwaarschijnlijk, viroloog Marc Van Ranst om te leggen. Meer dan vijftigduizend mensen sloten zich aan bij online steungroepen voor Conings; voor de steunmars daagden een honderdtal mensen op in de regen. In die community’s op Facebook werd zowel een dorpssamenleving zonder dorpen zichtbaar als een nieuw online verenigingsleven, met als trefpunten de commentaarsecties van kranten, geheime accounts met hakenkruisen en leeuwenvlaggen in de banner of portretfoto, of WhatsApp-gesprekken met familie en vrienden. Deze verenigingen bleken informeel maar egalitair, zonder de bureaucratische achterban die bij de kerk of de vakbond speelde, en die altijd zwaardere offers van de leden eiste. Een poster met Jürgens Life Matters is op één namiddag bij elkaar te borstelen en met één muisklik vergezelt de Vlaming vandaag een demonstratie. Zoals Hind Fraihi in 2021 aangaf in een gesprek met Knack: ‘Op de open profielen zie je selfies van vrouwen op een gemillimeterd gazon, in een beeldig jurkje met een glaasje cava in de hand.’ En: ‘In gesloten groepen als She Wolves knijpen diezelfde vrouwen de katjes in het donker, en is het ranzigheid troef. Je zou het een nieuwe vorm van tsjeverigheid kunnen noemen.’ De ‘tsjeverige’ houding rond Conings wijst ook op een vorm van melancholie: de Vlaming is voorgoed van onder de kerktoren weg, maar het eindresultaat biedt in plaats van Verlichting een overdaad aan astrologie. De koster werd vervangen door de tv-kok.

Een gelijkaardige postmoderniteit mat Bart Verschaffel al in een essay uit 1992 op, getiteld ‘De kring en het netwerk’. ‘Het is […] niet zo dat het oude verdwijnt en oplost in het nieuwe’, stelde hij scherp.

‘De postmoderniteit is niet de videoclipzender of de nieuwszender, maar het dagelijkse, banale tafereel waarin ergens in Vlaanderen weiden, een alleenstaand rijhuis met blinde zijgevels langs een betonnen tweevaksweg, een gigantische lantaarnpaal en een tuinkabouter, een auto, een smalle lange tuin met kippen en prei, een eiken eetkamer met een dik kleed, een grootschermkleurentelevisie met MTV en per dag tien lijken, tien romantische bedscènes, tien bekenden, tien winnaars, tien grootsteden en één ramp, romantische huwelijks- en kinderfoto’s, vroeg gesloten rolluiken en een vermoeid, uitgezakt lichaam in een zetel bij elkaar zijn op een spanningsloze, volstrekt ondramatische wijze.’

Dat achter die rolluiken nu een ‘vermoeid, uitgezakt lichaam’ op ‘volstrekt ondramatische wijze’ op de smartphone zit te tokkelen ter verdediging van Conings, doet weinig af aan die analyse.

Het verschil met het fin de siècle is dat de CVP niet langer als leenheer over het verkavelde maar ‘verenigde’ Vlaamse landschap regeert. In een interview met De Zondag in 2020 overwoog toenmalig christendemocratisch leider Joachim Coens een omvorming van zijn partij tot een ‘partijnetwerk’. Coens vermeldde ‘Samen’ als mogelijke naam, wat ‘Samen Vooruit’ tot een coalitieoptie zou maken. De kring is inderdaad het netwerk geworden, nu de kerk, de heemkundige kring en Kind en Gezin de integratie in de Vlaamse moderniteit niet langer verzekeren. Het ‘sociale weefsel’ – nog altijd een van de favoriete frases van Bart De Wever – is verdwenen, weggevreten door een halve eeuw consumentisme en digitalisering. De christelijke zuil barstte open en in die leemte stapte de nieuwe mondige burger: laptop in de aanslag, zonder partijkaart. De nieuwe marktleiders bieden niet echt een substituut voor die oude partijkaarten. N-VA onderhoudt met dertig mensen op de mediadienst het waanbeeld van een ‘volkspartij’. Theo Francken tweet zijn volgers toe. Ondertussen worden ze op rechts ingehaald door een partij die er wel nog in slaagt pensenkermissen te organiseren in Ninove. Het Vlaams Belang vervelde van een regionalistische zweep op rechts tot een antimigranten- en antisysteempartij, en geeft meer dan een miljoen euro uit per jaar voor advertenties op Facebook en Instagram. Op dat vlak moeten ze enkel N-VA, met een budget van 1,7 miljoen, laten voorafgaan, wat beide partijen een plek verzekert in de Europese top drie van politieke ‘grootbesteders’ op sociale media.

En wat gebeurt er ondertussen in Wallonië, het landsdeel dat zou overleven op kosten van de rest van België? In elk geval is Vlaanderen de transfers uit de negentiende eeuw compleet vergeten. Net als in het Engelse noorden ontwikkelde het Belgische zuiden zich vanaf 1830, en eigenlijk al eerder, tot een schoorsteenlandschap van staalfabrieken, textielfabrieken en mijnen: de ‘industriële piste’ van de Samber-Maasvallei, die van de steenkoolbekkens van de Borinage naar Charleroi, Luik en Verviers loopt. Vlaanderen diende als een groot agrarisch achterland, bevolkt door boerenfamilies en dagloners. In de jaren 1840, ingehaald door een verschrikkelijke aardappelhongersnood, en met een binnenlandse weverij die instortte onder druk van de internationale concurrentie, ontlaadde het Vlaamse platteland honderdduizenden proletariërs naar de Waalse mijnen en molens. Rosa Luxemburg kon in 1904 nog spreken over Vlaamse arbeiders die ‘ook van hun taal beroofd waren’.

Het Waalse industriële kapitaal was nooit van lokale oorsprong. In plaats daarvan werd de industrialisatie gesponsord door financiers en landeigenaren vanuit prachtige villa’s in Franstalig Brussel, die opereerden via holdings die gestructureerd waren door gigantische investeringsbanken. Brussel was een administratief centrum onder de Habsburgers, goed bemand met advocaten en bankiers. De hoofdstad was, net als Londen, een in wezen kosmopolitische stad, waarvan de blik altijd naar buiten was gericht, ingebed in internationale kapitaalstromen, waardoor ze meer verplicht was aan buitenlandse debiteuren dan aan arbeiders in haar eigen achterland. Meer nog dan Londen zou Brussel gekenmerkt worden door de afwezigheid van industrie, en bijgevolg van een stedelijk proletariaat.

Brussel was dus nooit een organisch deel van beide gewesten. In Wallonië werd het gezien als een citadel van industriële uitbuiters, terwijl het door Vlaanderen vaak werd beschouwd als een ‘olievlek’ van de ‘francofonie’. Brussel moest toezien hoe rivaalstad Antwerpen uitgroeide tot een multinationaal zakencentrum, terwijl de hoofdstad vooral een leverancier van bureaucratische diensten werd: de Brusselaar hielp Amerikaanse bedrijven hun weg te vinden in het labyrint van de Europese Economische Gemeenschap. Terwijl de City of London zich onophoudelijk uitbreidde op basis van de euro-dollarhandel, verdween de Belgische holdingbourgeoisie. In tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk was België wel in staat een overbodige renteniersklasse van het toneel te verdrijven.

De Waalse elite besloot om met de stroom mee te zwemmen. Tijdens de crisisjaren van de jaren zeventig plukten ze aan het karkas van de eenheidsstaat en zorgden ze voor noodfinanciering. In de jaren tachtig probeerde de Waalse socialistische leider André Cools de regionale achteruitgang tegen te gaan door de intercommunales te bevorderen: lokale raden zouden gezamenlijk openbare diensten kunnen beheren. Daar lag nog een verschil tussen de postindustriële status van Wallonië en die van het noorden van Engeland. Tegenover het offensief van Margaret Thatcher was het neoliberale medicijn van haar Belgische bewonderaar Wilfried Martens relatief mild. De katholieke partijleider werd gedeeltelijk tegengehouden door interne oppositie in de vakbondsvleugel van de CVP. Het federalisme hielp mee om de klap op te vangen, zij het meer door wat Hegel een ‘list van de onrede’ zou noemen: de Belgische staatsstructuur bezorgde de Franstalige socialisten vetorecht tegen het exportgeoriënteerde noorden van het land, ondanks de grotere stemkracht van de Vlamingen.

Daarom bleek het in België ook makkelijk om oude corporatistische structuren in stand te houden, samen met vakbondscontrole op de financiën van de sociale zekerheid, gedwongen sociale onderhandelingen, loonindexering en royale verzekeringsmechanismen. In een klein land met een relatief goed georganiseerde arbeidersklasse – in 2019 was nog meer dan de helft van de werkende Belgen lid van een vakbond – was Thatchers Blitzkrieg op mijnwerkers nooit een optie. In tegenstelling tot in Italië of Frankrijk waren de Belgische elites ook minder happig om de Europese Unie in te zetten als kapitalistisch paard van Troje. Die optie vergde hoe dan ook een grotere eensgezindheid in Brussel, iets wat de verdeelde Belgische elite nooit kon opbrengen.

Vlaanderen werd de gelukkigste erfgenaam van de Belgische boedelscheiding. Zowel de haven van Antwerpen als de Brusselse agglomeratie zijn domeinen waar buitenlandse bedrijven het voor het zeggen hebben, ‘gefaciliteerd’ door Vlaamse en lokale overheden. Pogingen om een Vlaams-separatistisch project echt politiek-economische diepgang te geven, blijven in het beste geval ademloos en meestal zijn het listen om extreemrechts in de regio te normaliseren.

De de-industrialisatie in België heeft de arbeidersklassen, zeker in vergelijking met die in het Verenigd Koninkrijk, minder bestraffend behandeld. Het huidige België is geen sociaal paradijs, onaangetast door de neoliberale draai. Maar het heeft weerstand geboden aan veel van de trends die landen in de ontwikkelde wereld hebben getekend en kan bogen op een betere gini-coëfficiënt, de statistische maatstaf voor ongelijkheid, dan vele vroege industrielanden. Toch moet dat voordeel niet overdreven worden. Terwijl Groot-Brittannië zes van de tien armste regio’s in Noordwest-Europa telt, zijn de Waalse gewesten Henegouwen, Luik en Charleroi er nauwelijks beter aan toe. De federalisering heeft Wallonië geholpen, maar nauwelijks gered. De films van de broers Dardenne, met hun focus op ‘armoede’ in plaats van klasse, biedt een esthetische ruggensteun voor een PS-project van federaal gefinancierde regionale armoedebestrijding voor het zuiden dat de hoop op herindustrialisatie heeft opgegeven. Het oeuvre van de Dardennes, van Rosetta uit 1999 tot Deux jours, une nuit uit 2014, staat in schril contrast met de scherpe klassenconfrontatie die in 1934 verbeeld werd in Misère au Borinage van Henri Storck en Joris Ivens.

Deels ook daarom blijven Vlaamse neoliberalen nog altijd hopen op een separatistische vrijhandelsdoorbraak, waarna de ‘beste leerling van de Belgische klas’ het kan opnemen tegen concurrenten in Polen of Letland. In 2016 oogstte Paul Magnette applaus van Europees links voor zijn weerstand tegen het CETA-akkoord tussen de Europese Unie en Canada. Deze verzetsdaad verborg de structurele afhankelijkheid van het Waalse Gewest van de Vlaamse transfers, die in het kielzog van de federalisering pijlsnel zijn gegroeid. Achter dit alles gaat de seculiere neergang van de Waalse industrie schuil, die niet kon profiteren van de havenindustrie en buitengesloten werd van de Duitse exportboom. Wallonië heeft tientallen jaren nodig gehad om een op koolstof gebaseerde industrie op te geven. Onderweg wist het de kapitalistische zwaartekracht te trotseren en federale onafhankelijkheid te verkrijgen. Vrijspraak was echter nooit een optie, en de regionalisering van België heeft de Waalse afhankelijkheid binnen het Belgische huwelijk alleen maar verergerd. De Waalse protostaat blijft het product van een pyrrusoverwinning. De globalisering is niet tot stilstand gebracht en Belgische bedrijven moeten nog steeds concurreren in een vijandige wereldeconomie. Regionalisering schermde de Waalse arbeiders af van de globalisering, voor zover de politieke klasse ermee kon dreigen de grondwettelijke stekker uit het systeem te trekken als het noorden van België ooit zijn solidariteit opgaf. Maar juist deze tactiek vermeed de vraag naar systemische verandering in Wallonië, zoals het ‘Marshallplan voor Wallonië’ dat de Vlaamsgezinde marxist Antoon Roosens ooit voorstelde.

Of de Vlamingen zo’n plan zouden willen doorvoeren lijkt onwaarschijnlijk, zeker wanneer Vlaams Belang en N-VA in 2024 samen een meerderheid halen op Vlaams niveau. ‘Wanneer de introverte en ja wat geremde en stille en eigengereide en sociaal onhandige en eigenlijk vereenzaamde gemiddelde Vlaming zich in het stemhokje terugtrekt, is dat om wraak te nemen. Hij trekt het gordijn dicht, zoals thuis bij het slapen gaan, en ontlaadt zich. Hij zegt foert en het Vlaams Blok zegt dank u.’ Met deze woorden vatte schrijver en activist Manu Claeys in 2001 tien jaar extreemrechtse opmars samen, bijna een decennium na de eerste Zwarte Zondag. ‘Het Vlaams Blok en Vlaanderen zijn voor elkaar gemaakt,’ zo claimde hij boud – een staaltje essentialisme dat velen niet meer zouden durven opperen. Toch school in de overdrijving ook waarheid: niet elke Vlaming was een Blok-stemmer, maar het Blok onthulde wel iets essentieels over Vlaanderen aan de start van de eenentwintigste eeuw. Met zijn irrationele, xenofobe retoriek duidde het extreemrechtse stemgedrag op een diep onbehagen, een woede die erg moeilijk met dalende lonen, stijgende immigratiecijfers of sociaal verval verklaard kon worden.

Het geldt ondertussen als gemeenplaats dat België een zogenaamde nation impossible zou zijn, een staat die leeft in geleende tijd. Bestemd voor ‘kleinstaterij’ of opwaartse absorptie in een federaal Europa, lijkt het land nu vooral op een restant van een verdwenen Europa, een ‘ongelukje uit de negentiende eeuw’, zoals De Wever het zo graag zegt. Vele hoogopgeleiden vinden deze Belgische non-identiteit best charmant. Anderen zien ze als ideaal voor wat Jürgen Habermas het postnationale tijdperk noemde. De Belgische en Vlaamse realiteit is echter prozaïscher. Net als de Rode Duivels vertrouwt het land vooral op sterspelers om crises en crisettes het hoofd te bieden, maar het krijgt nooit genoeg teamgeest bij elkaar om ze echt te overwinnen. De Belgen blijven rijk en veilig, maar ze hebben amper een idee hoe ze die rijkdom en veiligheid collectief kunnen mobiliseren. Schipperend tussen federalisme en regionalisme blijft het Belgische karkas ontbinden zonder ooit volledig te verteren.

Vandaag lijkt het zelfs waarschijnlijker dat de rouwadvertenties voor het Verenigd Koninkrijk eerder zullen worden opgesteld dan die voor België. Het is aannemelijk dat ons land het symbool blijft van een moderniteit waarvan de vervaldatum is overschreden zonder haar eigen, meest centrale tegenstellingen op te lossen, en die desondanks voortploetert, uit inertie en onverschilligheid. Daarmee is België, in die totale postmoderniteit, uitermate modern, volgens een citaat uit Introduction à la modernité uit 1962 van Henri Lefebvre.

‘Als schaduw van een afwezige of onvolledige Revolutie, kan de moderniteit niet meer zonder crisissen. De tegenstellingen hopen zich op; ze doen onophoudelijk hun werk, bij gebrek aan de radicaal revolutionaire negativiteit die – volgens het oorspronkelijke marxistische project – het leven zou hebben getransformeerd.’

 

Afbeeldingen: Luc Deleu & T.O.P. office, 1969-1995, SABAM, Architectuurarchief Vlaanderen, Vlaams Architectuurinstituut, Antwerpen