width and height should be displayed here dynamically

In therapie

Het psychotherapeutische proces heeft zich de afgelopen decennia tot een populaire narratieve structuur ontpopt. Na het verschijnen van BeTipul (‘in therapie’) op de Israëlische televisie in 2005 kreeg de fictiereeks over een therapeut en een handvol patiënten een lokale versie in meer dan twintig landen wereldwijd, met In Therapy op HBO, En Thérapie op Arte – het meest aangeklikte programma op het streamingplatform – en In therapie op NPO 2. Ook gevierde series als Therapie op Canvas en Couples Therapy van het Amerikaanse netwerk Showtime entten zich op dit succes met non-fictionele interpretaties van een vergelijkbaar concept. Het therapeutische gesprek staat steeds centraal, af en toe aangevuld met een eenvoudige verhaallijn buiten de praktijk.

Hoewel het een boek en geen televisiereeks betreft, is het verleidelijk om ook het vorig jaar verschenen Notes to John van journalist, essayist, romancier en scenarist Joan Didion (1934-2021) te duiden in het verlengde van deze bloei van psychotherapie-als-entertainment. Notes to John is een verzameling gedateerde verslagen van de wekelijkse sessies tussen Didion en de Freudiaans geschoolde psychiater Dr. Roger MacKinnon, geschreven tussen december 1999 en januari 2003 en bestemd voor Didions echtgenoot John Gregory Dunne. Het anonieme voorwoord geeft aan dat na Didions overlijden in 2021 in een lade van haar schrijftafel een map werd aangetroffen met zo’n 150 ongenummerde prints van getypte notities. De erfgenamen, de kinderen van Didions overleden broer, schonken het bestand vervolgens aan de New York Public Library, waar ook de rest van haar archief (en dat van haar man) bewaard wordt en toegankelijk is sinds maart 2025.

De schrijver gaat in therapie, zo verduidelijkt de introductie, om haar dochter Quintana Roo Dunne (1966-2005) bij te staan, die in behandeling is voor depressie en alcoholisme. Haar psychiater geeft Didion het advies haar eigen zwaarmoedige humeur eveneens onder de loep te nemen zodat een dieper begrip van de verslavingsproblematiek van haar dochter kan ontstaan. De notities geven slechts een fractie weer van een analyse die op z’n minst tot 2012 heeft geduurd, zo wordt meegedeeld in een voetnoot bij de laatste beschreven sessie met MacKinnon.

De redactionele keuzes voor een voorwoord, een nawoord en occasionele voetnoten zijn welgekomen. De uitdagingen bij het lezen van dit boek zijn legio. Deze tekst is de neerslag van een verzameling gesprekken die plaatsvonden tussen meestal twee en soms drie personen – John vergezelt Didion tijdens één sessie en het laatste verslag gaat over een gesprek tussen haar, Quintana en Quintana’s psychiater. Didion ‘logt’ haar sessies met MacKinnon pas vanaf week zes en ze gaat daarbij niet regelmatig te werk, om er vervolgens abrupt mee op te houden: de laatste twintig pagina’s van Notes to John bestaan uit een samenraapsel van verslagen, opgesteld in de loop van drie opeenvolgende jaren. Er wordt geregeld verwezen naar onbekende figuren uit de leefwereld van Didion en Dunne, wat om een woordje uitleg vraagt. Soms is er sprake van onderwerpen die aan bod komen in een eerdere sessie, maar die in de voorafgaandelijke tekst toch ontbreken. Wat een lezer vooral kan doen struikelen, is de vluchtige schrijftrant. Didion hanteert veelvuldig de indirecte rede, en zowat elke tweede zin in dit boek van tweehonderd pagina’s begint of eindigt met ‘Ik zei’, ‘Hij zei’ of ‘Jij zei’. Citaten zijn soms wel en soms niet van aanhalingstekens voorzien. Licht verontrustend wordt het wanneer Didion zich in de tweede persoon uitdrukt, want dan spreekt ze niet de lezer toe, maar haar echtgenoot John.

Waarom zou je, als buitenstaander, deze onvolkomen reeks notities toch lezen, neergeschreven bovendien door een auteur die ze in een lade verborg en waarschijnlijk niet voor publicatie geschikt achtte? Eén reden is de overtuigende wijze waarop de tekst de gevoelswereld en de mentale processen van Didion weergeeft. De gesprekken tussen dokter MacKinnon en Didion cirkelen steeds rond een handvol kwesties. Persoonlijke herinneringen, anekdotes en dromen zijn het vertrekpunt, maar evengoed onderwerpen uit het nieuws of verwijzingen naar literatuur, politiek en populaire cultuur. Langzamerhand leidt de opeenstapeling van invalshoeken tot de gewaarwording van een gedragspatroon, of tot ontluikende inzichten in een persoonlijkheid.

Schuldgevoelens zijn een goed voorbeeld van zo’n wederkerende problematiek. Didion voelt zich verantwoordelijk voor de verslaving van haar (adoptie)dochter en streeft ernaar die samen met MacKinnon te verhelpen. Geleidelijk aan beseft ze dat de meest doeltreffende aanpak waarschijnlijk bestaat uit afstand nemen, door liefde en vertrouwen te blijven uiten, maar dan met enige verwijdering. Didion deinst duidelijk voor dat inzicht terug, maar het blijft week na week rijpen, en het dient zich uiteindelijk aan via een omweg, tijdens de sessie van 12 juli 2000. Ze geeft aan vaak aan Dominique te denken, een vriendin wier relatie met een gewelddadige partner ze niet heeft kunnen verhinderen. ‘Ze was gevaarlijk bezig,’ zegt MacKinnon vergoelijkend. ‘Je ziet het keer op keer bij vrouwen die met huiselijk geweld te maken hebben. Een gevaarlijk soort zelfoverschatting. Ze denken de situatie naar hun hand te kunnen zetten, hem te kunnen genezen. Dat lukt nóóit.’ Didion noteert haar eigen reactie:

‘Ik zei dat er bij mij dan waarschijnlijk ook van een soort zelfoverschatting sprake was. Door te denken het te kunnen voorkomen. Haar problemen te kunnen oplossen. Zoals ik ook dacht Quintana’s problemen te kunnen oplossen.’

Waarop MacKinnon besluit, met het laatste woord van deze sessie dat Didion noteert: ‘Voilà!’ Het is een passage die banaal oogt, maar die aanzienlijk ontroert gezien de acht moeizame maanden die eraan voorafgingen.

Joan Didion is waarschijnlijk het bekendst dankzij haar journalistieke essays uit de jaren zestig en zeventig en haar memoires van begin deze eeuw. Het zijn teksten die de ambivalente houding van de auteur illustreren ten opzichte van haar gevoelswereld en haar eigen leven als inspiratiebron. Als reporter koos ze steeds voor een subjectieve invalshoek, maar over haar leven schreef ze met de koele blik van een verslaggever. ‘Holy Water’, een essay over het watervervoer in Californië geschreven in opdracht van Esquire en opgenomen in de verzamelbundel The White Album (1979), is een goed voorbeeld. Een beschouwing over de logistiek van transport leidt tot spirituele en lyrische overdenkingen. Didion laat haar verbeelding de vrije loop en besluit het artikel met een dagdroom: als zij de controle over het water verkreeg, zou ze zich vermaken met het vrijelijk regelen van de toe- en afvoer door bepaalde valleien droog te leggen en andere te laten overstromen. In het artikel ‘Bureaucrats’, onderdeel van dezelfde bundel, gebeurt iets gelijkaardigs: een analyse van het fileprobleem in Los Angeles slaat om in een fenomenologie van de freeway. Volgens Didion vergt een dergelijke snelweg een dusdanige concentratie van de chauffeur dat er een extatisch gevoel ontstaat, alsof je onder narcose bent.

Groot is het contrast in toon met The Year of Magical Thinking uit 2005, het boek waarin ze exhaustief en in verschillende etappes de onverwachte maar dodelijke hartaanval van haar man beschrijft. Didion parafraseert het gesprek aan de keukentafel vlak voordien, lijst de medicatie op die de ambulanciers John toedienen, reproduceert details uit zijn medisch dossier en uit de autopsie, en inventariseert zelfs de inhoud van zijn portefeuille. Toch beperkt ze zich strikt tot de feiten – zelden beschrijft ze wat ze denkt of voelt, en ook de nasleep laat zich lezen als het rouwproces van een ander.

In The Year of Magical Thinking heeft die nagenoeg wetenschappelijke toon iets onbehaaglijks, terwijl hij in het geval van Notes to John vooral vragen oproept. Wat is de functie van deze tekst? Wat is de waarde ervan, enerzijds voor de auteur en anderzijds voor de lezer? Impliceert het leesplezier een inbreuk op iemands privacy? Wanneer maakt Didion de verslagen en hoe kan ze zich de uitspraken zo grondig herinneren? Schrijft ze werkelijk alles neer of maakt ze een selectie, bewust of onbewust? Heeft ze John, tot wie ze zich richt, voortdurend in gedachten en beïnvloedt dat de manier waarop ze noteert? Wat is de invloed van het schrijven – net als van Didions besef, zittend op de sofa, dat ze binnenkort alles wat ze zegt en hoort zal neerschrijven – op de therapie zelf, en op de voortgang ervan? En wat is, omgekeerd, de invloed van de relatie tussen de psychiater en de auteur op het verslag?

Het lijkt erop dat het noteren ingegeven werd door zowel een praktische, een creatieve als een psychologische nood. In de eerste plaats doen de verslagen dienst als instrument. Ze vormen een middel voor Didion om haar echtgenoot te betrekken bij de zoektocht naar een concrete oplossing voor de dwingende verslavingsproblematiek van hun dochter. Het document bevat informatie die waardevol kan zijn geweest in momenten van crisis of twijfel. Tijdens de sessies deelt MacKinnon inzichten in de psychologie van een alcoholverslaafde, op grond van zijn jarenlange klinische ervaring. Daarnaast geeft hij tips voor de communicatie met Quintana. Didion en MacKinnon trainen samen een soort gevoeligheid voor de signalen die zij uitzendt. Ze denken na over de noden die erachter kunnen schuilen, bespreken welke provocaties het waard zijn om erop in te gaan en welke niet, en onderzoeken hoe aandacht kan worden getoond zonder te oordelen.

Fans van Didion, voor wie de uitgave bedoeld lijkt, weten echter dat noteren een integraal onderdeel vormt van haar schrijfpraktijk. Ze thematiseert deze routine in het vaak aangehaalde essay ‘On Keeping a Notebook’ uit 1966. Wat banaal lijkt, aldus Didion, heeft altijd het potentieel betekenisvol te worden, maar daarvoor moet je het banale wel eerst uitentreuren registreren, en er vooral niet van uitgaan dat je op voorhand weet wat ooit waarde zou kunnen krijgen. Het nauwgezet (be)schrijven kan ook een symptoom zijn van een controledwang die in de gesprekken steeds weer opdoemt. Het psychotherapeutische of analytische proces vraagt veel overgave. Dergelijke ontwikkelingen toch proberen vatten in woorden is daarom een even twijfelachtige als veelzeggende onderneming.

Beheersing en controle duiken in Didions gehele oeuvre op, als motief én als methode. Voor de publicatie van Notes to John werd de controle haar echter ontnomen en bij (verre) familie gelegd – bij de Didion Dunne Literary Trust, zoals het colofon aangeeft. De erfgenamen begrepen ongetwijfeld dat het boek uitstekend in de markt zou liggen. De fascinatie voor Didions werk en haar privéleven nam al vaker merkwaardige proporties aan, zoals toen persoonlijke bezittingen een klein jaar na haar overlijden in december 2021 verkocht werden op een veiling met als titel An American Icon. Property from the Collection of Joan Didion. De opbrengst ging naar medisch onderzoek naar parkinson (de ziekte waaraan ze overleed) en naar de Sacramento Historical Society. Haar zonnebril, waarmee ze in een campagne van het modemerk Céline opdraafde, leverde 27.000 dollar op; een twaalftal onbeschreven, nog in folie gewikkelde Moleskines kregen voor 11.000 dollar een nieuwe eigenaar. Egodocumenten en openlijk autobiografische verhalen of romans gaan vaak vlot over de toonbank. Bovendien blijft de aanwezigheid van een psychotherapeutisch discours niet beperkt tot televisie. Getuigenissen over geestelijke kwalen en stoornissen zijn alomtegenwoordig. Zelfhulp blijft in trek, hoewel een diepgaande psychotherapeutische behandeling vaak ontoegankelijk blijft.

De commerciële doelstelling verleent Notes to John een wrange nasmaak, hoewel dat geen afbreuk doet aan de kwaliteiten van het boek. Vooral het ondefinieerbare karakter maakt er een bijzondere publicatie van. De afwezigheid van commentaar of interpretatie door Didion onderscheidt de tekst van een dagboek, waarin één auteur doorgaans niet alleen de gebeurtenissen zelf, maar ook de bijhorende ervaringen op papier zet. Wat Didion denkt of voelt bij de sessies, blijkt enkel gedeeltelijk uit wat ze op dat moment zegt. Dat er een afwezige ‘jij’ wordt toegesproken roept dan weer de associatie met brieven op. Maar hoe reëel de afstand tussen zender en ontvanger in dit geval is, bij een echtpaar dat samenleeft, blijft ambigu.

De gevalsstudie is een aanvullend maar eveneens beperkt bruikbaar genre om Notes to John aan te toetsen. In de geschiedenis van de psychologie, en de psychoanalyse in het bijzonder, speelt de casus een cruciale rol. Voor Sigmund Freud was het een middel om de individuele behandeling uit te lichten, te interpreteren, en al doende zijn theorieën uiteen te zetten. Ook was het een voornaam instrument om met andere onderzoekers en artsen over zijn bevindingen te communiceren. Anders dan Didion presenteerde Freud de therapeutische dialogen echter niet sessie per sessie en naar de letter. Hij reconstrueerde, als analyticus, narratieven op basis van notities die hij achteraf maakte. Hij erkende dat zijn Krankengeschichten bijgevolg de werkelijkheid vervormden: het zijn ziektegeschiedenissen, maar ook ziekteverhalen. Onder andere in het artikel ‘Ratschläge für den Arzt bei der psychoanalytischen Behandlung’ uit 1912 beargumenteerde hij die keuze voor een verhalende aanpak. Dat de analyticus tijdens de sessies notities neemt, raadde hij stellig af: de totale ontvankelijkheid van de arts zou erdoor bedreigd worden, en die is nodig om het geheel aan uitdrukkingen van het onbewuste van de patiënt te registreren. Een transcript zou enkel tot Scheinexaktheit leiden, iets wat hij de psychiatrie van zijn tijd ten laste legde. In het voorwoord van ‘Aus der Geschichte einer infantilen Neurose’ uit 1918, ook wel bekend als ‘De Wolvenman’, gaat hij daar dieper op in en legt hij uit waartoe de psychoanalytische casus dan wel dient. In de vertaling van Wilfred Oranje:

‘Zoals men weet, is er geen weg gevonden om voor de overtuiging die het resultaat van een analyse is, op enigerlei wijze in haar weergave een plaats in te ruimen. Verslagen waarin tot in de kleinste bijzonderheden wordt vermeld wat zich tijdens de zittingen afspeelt, zouden stellig niets daartoe bijdragen; trouwens, vanwege de behandelingstechniek is het opstellen van zulke verslagen uitgesloten. Men publiceert deze analyses dus niet om degenen te overtuigen die tot nu toe een afwijzende en ongelovige houding hebben aangenomen. Men verwacht enkel dat men onderzoekers iets nieuws biedt die op grond van eigen ervaringen met patiënten zich al bepaalde overtuigingen hebben gemaakt.’

De schriftuur is enerzijds onverenigbaar met het procedé van de psychoanalyse en anderzijds ontoereikend om de resultaten ervan weer te geven. Eenzelfde bescheidenheid weerklinkt in het voorwoord van een andere beroemde gevalstudie, ‘Bemerkungen über einen Fall von Zwangsneurose’ uit 1909, of ‘De Rattenman’:

‘De hier geboden, moeizaam genoeg aan het licht gebrachte brokstukken kennis maken misschien op zichzelf een weinig bevredigende indruk, maar kunnen als uitgangspunt voor het werk van andere onderzoekers dienen, en de gemeenschappelijke inspanning kan de taak volbrengen die voor de enkeling wellicht te zwaar is.’

Hoe nauwkeurig of uitgebreid ook, de schriftelijke weergave van een behandeling kan nooit de behandeling vervangen, of er zelfs op overtuigende wijze voor pleiten. Het is, bij Freud én bij Didion, bovenal een middel tot kennisoverdracht. Maar anders dan bij Freud gaat bij Didion een beperking in functie niet samen met een beperking in aanpak, want Didion leek wel degelijk te geloven in het heil van de exactheid.

Freuds ziektegeschiedenissen (naast de Rattenman en de Wolvenman ook nog Dora, kleine Hans en ‘het geval Schreber’) waren vernieuwend en boden een alternatief voor de statistische methoden van de klassieke psychologie. Ze bevatten bovendien een grote rijkdom aan informatie over de psyche van het westerse subject aan het begin van de twintigste eeuw. Daarnaast tonen ze de cultuur waarbinnen dat subject zich begeeft, en dus ook de verschillende manieren waarop maatschappij en individu op gespannen voet kunnen staan. Het zal niet verbazen dat een soortgelijke ambitie, een eeuw later, bij Didion en op televisie, opnieuw de kop opsteekt in een meer populaire vorm. Toegang tot de psychologie van de ander blijft zeldzaam en valt niet te verwarren met wat sociale media dagelijks verschaffen. Het gaat om een nieuwsgierigheid naar het onbewuste en hoe dat onbewuste zich op persoonlijk en cultureel niveau uit: in fobieën, impulsen, ideologieën, trends, associaties, dromen en taal. Het is een ander soort aandacht dan tijdens pakweg het scrollen, omdat het gaat om een interesse voor wat niet getoond wordt, voor wat onder het oppervlak sluimert. Empathie is vereist om de bijzonderheden van een ander waar te nemen en er geboeid door te raken, terwijl de inhoud van je feed doorgaans zonder al te veel inlevingsvermogen geconsumeerd kan worden. Het psychotherapeutische proces laat zich bovendien in volle actie waarnemen, wat dan weer een verschil is met het zelfhulpgenre en de getuigenis – doorgaans een helder, afgerond narratief dat afsluit met een advies, een diagnose, een schuldige, of een combinatie ervan. Bij Didion komen tegenslagen aan bod, net als geduld dat opraakt. We lezen de moeite die het kost om eerlijk te zijn en om negatieve gevoelens te herkennen. Ze maakt die moeite invoelbaar dankzij haar kundige weergave, maar tegelijk blijkt overal de onmogelijkheid van haar opzet.

Voor wie al eerder iets las van Didion is Notes to John een vertrouwde, maar ook een bevreemdende ervaring. Vertrouwd is de indexerende pen die alles en niets tegelijkertijd zegt; bevreemdend is het stuntelige taalgebruik met stroef effect. Didion was een stilist pur sang en een meester van de literaire compositie. Ze liet nooit een woord te veel op de pagina staan en bij leven zou ze nooit hebben ingestemd met de uitgave van een klad. Zoals verschillende besprekingen van het boek aankaarten, is daarom niet enkel de inhoud van deze publicatie dubieus, maar ook de onafgewerkte vorm.

En toch is de uitgave een voldongen feit waar een lezer geen invloed meer op kan uitoefenen. De controverse kan een echte ontmoeting met dit geschrift in de weg staan. Notes to John leest als een van de meest bizarre en prikkelende populaire titels in lange tijd, al is dat misschien niet om de redenen die de uitgeverij voor ogen had toen dit boek in de steigers werd gezet. Naast de psychologische diepgang en de genreverwarring biedt deze tekst een taal aan die ernaar streeft tegelijkertijd de werkelijkheid, het gesprek en het onbewuste na te bootsen. Op die manier botst ze op haar eigen grenzen.

Je kan er rouwig om zijn dat kwaliteiten die ooit exclusief tot het domein van de fictie en de kunst leken te behoren, nu steeds vaker in een letterlijke, directe, onbemiddelde vorm verschijnen. Je kan het, zoals anderen deden, een crisis van de verbeelding noemen, in een beschaving geobsedeerd door onmiddellijkheid, in een op hol geslagen traumacultuur. Of je kan de denkoefening aangaan, door ook een tekst als Notes to John als literatuur te lezen, en dus als een kans te zien om je literatuuropvatting uit te breiden.

Het is ironisch dat een postuum boek van Joan Didion, al bij al een conservatief schrijver, een experimentele leesbeleving verschaft. Maar met Notes to John sluit deze Amerikaanse schrijver zich ook aan bij de traditie van het egodocument die teruggaat tot Marcus Aurelius en Sint-Augustinus. Zichzelf observeren is wat kunstenaars en schrijvers nu eenmaal doen. Soms spitst de observatie zich zodanig op de subjectieve ervaring toe dat die een universeel karakter krijgt; soms blijft die ontdubbeling uit. Een tekst kan op het eerste gezicht een ijdele biecht lijken, maar bij nader inzien onvoorziene vragen, inzichten en gevoelens uitlokken. Onvolmaakte vorm, dubbelzinnige ethiek – het heeft menig lezer in het verleden evenmin belet de proef op de som te nemen.

 

Notes to John van Joan Didion werd in het Nederlands vertaald door Koos Mebius: Notities voor John, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2025, ISBN 9789029554657.