Jo Ractliffe. En ces lieux / Out of Place

De Zuid-Afrikaanse Jo Ractliffe (1961) staat bekend om haar indirecte verkenning van landschappen getekend door (post)apartheid, de nasleep van de oorlog in Angola en sociale en historische breuklijnen. Niet de gebeurtenis zelf legt ze vast, maar – vaak pas jaren tot decennia later – de subtiele of onbestemde overblijfselen: het landschap als plaats van een verdrongen geschiedenis die afwezig is, maar toch werkzaam blijft. Met deze postdocumentaire en conceptuele benadering van het landschap als drager van historisch geweld bekleedt zij een aparte plaats binnen de Zuid-Afrikaanse fotografie.
Het landschap – als punt waar de menselijke en natuurlijke wereld convergeren, en dat altijd al door menselijk handelen gemarkeerd, geëxploiteerd of getransformeerd is – kreeg binnen de overwegend activistische sociaal-documentaire fotografie tijdens de apartheid zelden expliciet aandacht. Fotografen als Peter Magubane, Alf Kumalo of Ernest Cole richtten zich in de eerste plaats op directe sociale en politieke realiteiten. Pas later veranderde dat in het werk van David Goldblatt, Santu Mofokeng en Cedric Nunn, zonder dat het landschap de kern van hun praktijk werd. Bij Ractliffe fungeert het landschap van meet af aan als primair denkkader.
Een voortreffelijke overzichtstentoonstelling in het Jeu de Paume bestrijkt in twaalf delen werk van 1982 tot de recentste reeks The Garden (2024-2026), hier voor het eerst te zien. In het verleden schrok Ractliffe nu en dan niet terug voor een off-the-wall-benadering door werken in het midden van de ruimte op te hangen of ze te afficheren op billboards langs wegen. De ondanks honderden afdrukken sobere en nooit overladen ogende scenografie in Parijs staat voor het tegendeel: een strakke maar gevarieerde accrochage van zwart-witte beelden tegen lichtgrijze wanden, die het kijken structureert zonder het te sturen. Sereniteit – en daarmee de mogelijkheid tot inleving in beladen landschappen – overheerst. Vier kleurreeksen uit 1997-2005, atypisch binnen Ractliffes visuele register, ontbreken. Ook de periode 2014-2021 is niet opgenomen. Na een ruggenwervelletsel in 2015 dat haar mobiliteit sterk beperkte, realiseerde ze twee reeksen op basis van nooit eerder geopenbaarde archiefbeelden. Een aantal daarvan is geïntegreerd, onder meer in de openingssectie met vroeg werk.
Internationaal verwierf Ractliffe bekendheid met twee projecten in Angola: Terreno Ocupado (2007) en As Terras do Fim do Mundo (2009-2010). Samen met The Borderlands (2011-2013), haar verkenning van voormalige gemilitariseerde grenszones tussen Zuid-Afrika, Namibië en Botswana, vormen deze reeksen een zwaartepunt in haar oeuvre. In The Borderlands zijn naast desolate sites ook mensen te zien, teruggekeerd naar deze door het apartheidsregime ontvolkte gebieden: ongewoon voor Ractliffe, maar een bewuste, ethische keuze, om een tweede onteigening via een louter landschappelijke focus te vermijden.
As Terras do Fim do Mundo, haar meest radicale en indringende reeks, toont landschappen die het toneel waren van de Angolese Burgeroorlog (1975-2002), maar waarvan de sporen grotendeels onzichtbaar zijn. De titel, te vertalen als ‘De gebieden aan het einde van de wereld’, grijpt terug op een Portugese koloniale topos, met Angola en andere kolonies als uithoeken van de wereld. Twee jaar lang trok Ractliffe op met voormalige strijders, die voor het eerst terugkeerden naar de afgelegen delen van het land waar ze als jonge mannen gevochten hadden: ontwrichte gebieden waarvan veel bewoners naar de grote steden wegtrokken en waar landmijnen nog steeds jaarlijks vele slachtoffers maken.
In Ractliffes bedachtzame topografieën van deze territoria gaat de aandacht niet uit naar herkenbare overblijfselen van conflict, maar naar de stille, niet altijd zichtbare sporen van de geschiedenis. Een treffend voorbeeld van een landschap als zwijgende getuige is Tundavala Gorge, Lubango (2010). Het oogt als een arcadisch landschap, met twee rotskliffen die een weids vergezicht openen, maar onderhuids is dit natuurtafereel beladen. Tijdens de burgeroorlog werden UNITA-leden of vermeende medestanders van de oppositie op deze plek standrechtelijk in de afgrond gestort.
Ractliffe spreekt hier van ‘een landschap als pathologie’, met vaak nauwelijks zichtbare littekens als een door het verleden getekend lichaam. Haar beelden opereren precies in deze spanning tussen wat zich manifesteert en wat zich aan directe representatie onttrekt. Het landschap wordt een veld waarin aanwezigheid voortdurend verwijst naar afwezigheid, en waarin leegte niet zozeer als negatie fungeert, maar als een vorm van geladen stilte. Soms verwijzen bijschriften naar de historische achtergrond, zoals The battlefield at Cuito Cuanavale, Ambush site near Mupa of Mined forest outside Menongue (2009). Andere beelden, van een vogelverschrikker in een maisveld of een onbekend gedenkteken in de woestijn, blijven onbepaald, als complexe gehelen van relaties tussen het zichtbare en het onzichtbare: een forensische dispositie, zonder beoogde reconstructie. Het beeld weigert narratief herstel. De kijker wordt uitgenodigd relaties te leggen tussen wat hij ziet en weet (of leert), invoelt en associeert.
De expo kreeg een dubbele titel. Ractliffes keuze voor het Engelstalige Out of Place, rijk aan connotaties maar moeilijk vertaalbaar in het Frans, werd omgezet in En ces lieux, wat de fenomenologische dimensie benadrukt. De fotograaf maakt duidelijk dat ze zich afzet tegen het traditionele landschapsbegrip. Waar landschap doorgaans als een picturale aanblik wordt begrepen en contemplatie oproept, veronderstelt plaats – als historisch en politiek geladen ruimte – betrokkenheid. Haar werk zet dat in via antilandschappen: lege wegen, verlaten infrastructuur en een onpittoreske natuur. Daarvoor introduceerde ze de term blandscape – met bland als vlak, kleurloos, saai.
Ractliffe kon zich de afgelopen jaren weer beter voortbewegen en dat resulteerde in twee nieuwe reeksen. Voor Landscaping (2022-2024) ondernam ze lange autoritten langs de dorre westkust van zuidelijk Afrika. Anders dan voorheen werkte ze zonder plan, zwervend langs kleine wegen. Dat bracht haar naar extractiesites, steengroeven, nooit gesaneerde mijnbouwterreinen en andere sporen van exploitatie, waaronder een half voltooid betonnen skelet, een embryonale aanzet tot toeristische infrastructuur. Meerdere foto’s tonen zeer fysiek, frontaal en van nabij, de nasleep van ontginning: rotsstortplaatsen, mijnafvalbergen, zouthopen of, bescheidener, een stapel gedroogd zeewier. Opvallend is dat deze beelden geen vluchtpunt hebben. Ze illustreren wat Ractliffe omschrijft als ‘het vermogen van de fotografie om abstractie te verankeren terwijl zij haar causale band met de ‘werkelijkheid’ behoudt’. De titel Landscaping ontleende ze aan W.J.T. Mitchells Landscape and Power, waarin ‘landschap’ als werkwoord wordt opgevat: als een praktijk die sociale en politieke verhoudingen produceert en er tegelijk door wordt geproduceerd – een performatief proces, geen representatieobject.
In het Engels betekent landscaping ook tuinaanleg; Ractliffes recentste reeks heet The Garden (2024-2026). In kuststeden aan de West Coast, ten noorden van Kaapstad, trof ze intrigerende bricolagetuinen aan in het openbare domein: rariteitenkabinetten van recuperatiemateriaal die getuigen van grassrootsvormen van ruimtelijke toe-eigening. De initiatiefnemers worden bedreigd door vastgoedprojecten, of het zijn vissers die niet langer kunnen leven van de opbrengsten van de zee. Hun informele, plaatseigen percelen verschijnen als een daad van verzet. Elk draagt een verhaal in zich; in de catalogus gaat Ractliffe daar verder op in.
• Jo Ractliffe. En ces lieux / Out of Place, tot 24 mei, Jeu de Paume, Place de la Concorde 1, Parijs.