width and height should be displayed here dynamically

Kunst in opdracht

Tot voor kort had Vlaanderen geen serieus beleid op het vlak van integratie van kunst in openbare gebouwen. Hoewel het decreet met betrekking tot overheidsopdrachten al dateert van 1986 (de decreten van 23/11/86 en 13/2/87), duurde het tot in 1997 vooraleer toenmalig Vlaams minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid Wivina Demeester het stof eraf blies. De toen vastgelegde ‘procentregeling’ voorziet voor gebouwen die opgetrokken zijn door of voor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, of die gebouwd zijn met minstens dertig procent subsidie, een budget voor kunst. Dit gebeurt volgens een glijdende schaal, gaande van 2% procent voor projecten tussen vijf en tien miljoen tot 0,5 % voor projecten boven de honderd miljoen. De regeling werd in 1997 ‘uitgetest’ op twee nieuwe kantoorgebouwen voor de administratie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Brusselse Jacqmainlaan: ‘Graaf de Ferraris’, bestemd voor het departement Leefmilieu en Infrastructuur, en ‘Hendrik Conscience’, bestemd voor het departement Onderwijs, beide ontworpen door architect Michel Jaspers. Met een royaal budget van veertig miljoen mochten vijfendertig kunstenaars projecten realiseren op, in, rond en in de buurt van deze gebouwen. Het verregaande ad hockarakter van hun projecten inspireerde de administratie om een kleine ondersteunende cel op te richten, die voortaan kunstintegratieprojecten zou coördineren en begeleiden. Aanvankelijk functioneerde deze ‘cel kunstintegratie’ vrij autonoom, maar sinds juni 2000 werkt ze ‘in de schoot’ van het team van de Vlaams bouwmeester. Dit team timmert gestaag aan een beleidsvisie voor kunst in opdracht.

Het boek Kunst in opdracht. 1999-2000, dat recent door het team van de Vlaams bouwmeester werd uitgegeven, doet het relaas van deze ontwikkeling en overschouwt het sindsdien afgelegde traject. Dit omvat onder meer bijkomende projecten in het De Ferrarisgebouw, en nieuwe projecten in de gebouwen Boudewijn (Brussel) en Copernicus (Antwerpen). Terwijl de publicatie en evaluatie van de eerste projecten nog aan externen werd uitbesteed – zie het boek De Ferraris & Conscience. STILLS uit 1999 – zijn de huidige publicaties door het team van de bouwmeester zelf uitgegeven. Kunst in opdracht. 1999-2000 wil zélf een staat opmaken van het geleverde werk, en verantwoording afleggen voor het gevoerde beleid. Dat blijkt al uit de driedelige structuur van het boek. Het eerste deel brengt verslag uit van anderhalf jaar werking en schetst de visies van het team. Het tweede deel brengt aan de hand van korte werkbesprekingen door externe auteurs een overzicht van de kunstopdrachten die de kunstcel sinds 1999 begeleidde of in gang stak. Het laatste deel bevat een checklist of verklarende woordenlijst ten behoeve van toekomstige opdrachtgevers, geïnteresseerde kunstenaars of architecten.

Het eerste deel wil ons meteen bewust maken van de verschuiving die de overheveling van de ‘cel kunstintegratie’ naar het kabinet van de bouwmeester met zich meebracht. Immers, de cel heet voortaan ‘kunstcel Vlaamse overheidsgebouwen en infrastructuur’, en haar taak is verschoven van ‘kunstintegratie’ naar ‘kunst in opdracht’. Deze kunstcel zal niet zomaar gebouwen met kunst opsmukken, nee, ze zal uitgaan van concrete, specifieke situaties en voor elk gebouw apart de concrete meerwaarde van kunstintegratie onderzoeken. Daaruit resulteert telkens een ‘projectdefinitie’, en op basis daarvan kunnen één of meerdere kunstenaars worden uitgenodigd om zich voor, tijdens of na het bouwproces in dat proces in te schrijven. Het is duidelijk dat men met dit procesmatige programma de klassieke integratie van vaak banale kunst in al even banale gebouwen hoopt te vermijden.

Wat wordt met deze koerswijziging – die concreet neerkomt op de eliminatie van het begrip ‘integratie’ uit de beleidsverklaring – nu echter vermeden? Bij nader toezien bevatten de plannen van het team van de Vlaams bouwmeester niet zoveel nieuws. Ook in de jaren zeventig pleitte men voor interdisciplinaire ontwerpteams om de kwaliteit van het ontwerpproces te verhogen. En dat voedt onvermijdelijk weer de romantische en humanistische droom van de kunstenaar als magicus en meesterbetekenaar van de maatschappij. Deze laatste wordt met muffe retoriek als de ziener omschreven die ‘hét’ opmerkt – datgene wat op een bepaalde plek of site nog net ontbrak, nog net moest gebeuren – en die daarom een cruciale plaats bekleedt in het bouwproces. Hij moet niet zomaar een werk afleveren, maar het bouwproces zegenen met zijn artistieke gevoeligheid. Toch wordt hij, gek genoeg, ook wel gevraagd om te antwoorden op een ‘kunstopdracht’ die al voor zijn komst vormkreeg, op basis van de ambities en de visie van de bouwheer. Voor ‘het juiste gebouw’ op de juiste plaats is al gezorgd, er is ook al besloten waar of hoe in het project kunst ‘nodig’ is (dát er kunst nodig is, staat natuurlijk als een paal boven water), en nu wordt ook nog de juiste kunstenaar voor het juiste gebouw uitgekozen. Aan de ene kant zijn kunstenaars nog steeds verlichte geesten, die dingen opmerken waar de architect en bouwheer geen benul van hadden, en die het telkens weer presteren om dat onbetaalbare semantische surplus, die creatieve verbijzondering voor een bouwproject te realiseren. Terwijl de parameters van de artistieke vraagstelling al vastliggen, zodat er zeker geen ongelukken gebeuren. De onderneming ‘kunst in opdracht’ dreigt zo op een beschermde werkplaats voor ‘contextgevoelige’ kunst uit te draaien.

En net zoals in de jaren zeventig leiden de goede bedoelingen van vandaag tot overwegend slappe resultaten. Men hoeft de publicaties er maar op na te slaan. Buiten het ironische Speelhuisje van John Körmeling in het domeinbos van Soest, of het eerder klassieke werk dat Anne-Mie Van Kerckhoven installeerde in het huis van de Vlaamse Vertegenwoordiging in Den Haag, zijn er weinig of geen interessante projecten. Enkele werken – zoals de Zoutrietboot met Citroengeur van Peter de Cupere, of het Sprookje van Hugo De Leener – onttrekken zich alleen aan de verveling door de ergernis die ze opwekken. Ze verschillen maar weinig van gelijkaardige exemplaren die ten tijde van De Ferraris & Conscience in het blikveld van de Vlaamse ambtenaar werden gedropt.

Architectuur kan in principe gebaat zijn bij een artistieke inbreng, en kunst kan in de architectuur een onderwerp vinden. Maar is het nodig om dit keer op keer – en op zo’n formele, beleidsmatig geconsacreerde manier – te bewijzen? De kunst resideert vandaag op tal van andere plekken, die niet altijd van reële of concreet ruimtelijke aard zijn. Men kan zich de vraag stellen of ze dan niet meer gebaat is bij andere vormen van bemiddeling dan die van de architectuur. De vaak astronomische bedragen die met dit soort ondernemingen gepaard gaan, kunnen wellicht op die andere plaatsen worden geïnvesteerd.

 

• Katrien Laenen (ed.), Kunst in Opdracht. 1999-2000, werd in 2000 uitgegeven door het team van de Vlaams Bouwmeester, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Koning Albert II-laan 20, bus 9, 1000 Brussel (02/553.74.00). ISBN 90-403-0124-7.

• In het kader van de werkzaamheden van de kunstcel Vlaamse overheidsgebouwen en infrastructuur verscheen ook: Katrien Laenen (ed.), Kunstopdrachten voor de Vlaamse vertegenwoordiging in Den Haag. ISBN 90-403-0116-6.