width and height should be displayed here dynamically

Lieven De Boeck. Breaking Free

Lieven De Boeck. Breaking Free, CCC OD, Tours, 2026, foto Vincent Royer, OpenUp Studio

In het schip van het Centre de Création Contemporaine Olivier Debré in het Franse Tours, heeft Lieven De Boeck (1971) een speelveld uitgezet. De grote heldere ruimte van de nieuwe vleugel, een gebouw van Aires Mateus uit 2018, is zichtbaar vanaf de straatkant. De presentatie van De Boeck is een uitgestoken hand, want de belichaamde deelname van het publiek is noodzakelijk om de werken te voltooien. In één oogopslag zijn zes clusters te zien, die vooral een queer kleurenpalet en een minimale vorm gemeen hebben. Ze zijn gelinkt aan werkwoorden – se rassembler, déplier, célébrer, devenir, transformer, se souvenir – die verwijzen naar ervaringen die gedurende de looptijd van de tentoonstelling (kunnen) worden geactiveerd.

De Boeck zet in Tours zijn onderzoeksproject Archive of Disappearance voort, dat in februari culmineerde in een doctoraatsthesis aan de ULB. ‘Net zoals queer individuen zich terugtrekken om te overleven, en opnieuw opduiken wanneer het moment het toelaat,’ aldus de kunstenaar, ‘zo leven kunstwerken ook doorheen cycli van latentie en reactivatie.’ Het Archive of Disappearance zoekt naar alternatieve typologieën voor het presenteren en ‘lezen’ van kunstwerken die getuigen van de dynamiek van verschijnen en verdwijnen.

Zo bestaat de tweede cluster van werken (se souvenir) uit zeven sculptures textiles, opgehangen aan metalen hangers, in een ellipsvormige opstelling. De kostuums in verschillende kleurcombinaties werden in 2024 gedragen door performers van de manifestatie Parade. Whats Going On? op Horst Festival. Ze zijn een actualisering van de Parangolés, capes ontworpen door de Braziliaanse kunstenaar en theoreticus Hélio Oiticica, wiens praktijk een centraal referentiepunt is voor De Boecks werk van de laatste jaren. Oiticica was rond 1960 een voortrekker van het neoconcretismo dat het rationalisme van de concrete kunst afwees ten gunste van een meer fenomenologische, gevoelsmatige en poëtische benadering. Een transcendentale beeldtaal ontwikkelen (het doel van het concretisme) was alleen mogelijk als universele, objectieve kennis over kleur, ruimte en vorm plaats ruimde voor belichaamde ervaring. Zo wisselden de interactieve installaties en performances van Oiticica, geïnspireerd door de muziek en de kleuren van de favela’s van Rio, de kijker definitief in voor de deelnemer. Tussen 1964 en 1979 creëerde hij kleurrijke, meerlagige capes uit textiel en plastic, als draagbare schilderijen om in te dansen op de tonen van de samba, de muziek van de onderklasse. De Boeck herneemt deze feestelijke parades, niet als letterlijke reconstructie, maar als een actualisering, in relatie tot nieuwe lichamen en een hedendaagse tijdsgeest. Eind mei vindt dan ook, onder de noemer transformer, een parade plaats in Tours. Met scholieren van een lycée zoekt De Boeck naar fluïde momenten van verschijning en verdwijning, gemedieerd door de kostuums en hun geschiedenis. De publieke ruimte wordt geagiteerd en geanimeerd door een rituele dans die niet alleen aandacht opeist, maar ook de ruimte zelf in vraag stelt.

Aan het hoge plafond hangen, achteraan in de hal, eenentwintig Möbiusringen in gekleurd papier, boven evenveel brieven op de grond. Onder de titel devenir maken ze deel uit van een performance door drie personen, onder wie de kunstenaar zelf. Op de vernissage las één performer de brieven, gericht aan de kunstenaar, hardop voor, terwijl een andere de sculpturen aan nylondraden de lucht in hees en ze samen met de brieven verankerde. De openbaarmaking van de brieven doorbreekt de besloten communicatie tussen twee actoren. Het werk vraagt alweer om belichaamd en geduldig engagement: het is aan de lezer om zich een beeld te vormen van de correspondenten en zich al dan niet te vereenzelvigen met afzender of ontvanger. De Boeck laat de teugels van het auteurschap vieren: ‘Mijn rol is die van een ‘proposer’. De auteur wordt een vector, een katalysator voor een gedeelde ervaring.’ De neongroene handtekening ‘ldb’ op een van de tussenmuren laat weliswaar vermoeden dat hij zich bewust is van het spanningsveld waarin dergelijke stellingnames zich bewegen.

Het aan- en uittrekken van identiteiten verbindt ook de rest van de werken. Drie sculpturen, opnieuw in gekleurd textiel, bezetten het linkerdeel van de hal. Een piramide, een verticale balk en een kubus staan als drie geabstraheerde personages tegenover elkaar. Hun menselijke schaal en de publiekstekst nodigen uit tot nadere inspectie. De beschilderde doeken verhullen structurele fundamenten: de kubus blijkt opgebouwd uit karton, de piramide uit bamboe, en de balk uit een metalen constructie. Alleen het rechthoekige volume is betreedbaar, als een architectuur die de relatie tussen ruimte en identiteit markeert. Ook hier is de vorm meer fluïde dan verwacht: de tentconstructies kunnen worden ontmanteld en als kledij gedragen tijdens een parade. De museale relieken komen weer tot leven en de klassieke codes van presentatie, conservatie en vormvastheid komen onder druk te staan. De Boeck zoekt niet zomaar naar een analogie tussen genderbeleving en artistieke verschijningsvormen, maar net naar de momenten waarop ze niet langer van elkaar te onderscheiden zijn. Queering is de strategie die beide kan bevragen, omkeren, doorprikken.

Midden in de trialoog van vormen liggen ten slotte twee prototypes van Parangolés die door het publiek aangetrokken kunnen worden. In plaats van te verdwijnen staan we nu in de belangstelling. De vormelijke onbepaaldheid en het gebrek aan normatief kader waarbinnen de capes functioneren, voelen bevrijdend. Het aantrekken en etaleren herinnert aan zowel kinderlijke verkleedfeestjes als aan defilés allerhande. Breaking Free roept een spelende attitude op, om zowel het leven als de kunst te emanciperen.

 

Lieven De Boeck. Breaking Free, tot 31 mei, CCC OD, Parvis Jean Germain 1, Tours.