Metamorfosen

Gedaanteverwisselingen voltrekken zich meestal ongemerkt en wat we zien, is slechts het resultaat ervan. De ochtend verraadt de nacht niet; een rups ontpopt zich tot vlinder; opeens ontdek je een grijze haar. Al aan het begin van onze tijdrekening stelde Ovidius in zijn Metamorfosen dat alles verandert en niets vergaat. Verandering is geen onderbreking, maar de voortdurende, stuwende kracht van het leven. De gelijknamige tentoonstelling in het Rijksmuseum, die later dit jaar naar de Galleria Borghese in Rome reist, laat zien hoe dit epos de voorbije twee millennia kunstenaars inspireerde. Tegelijk is de expo een ode aan het maken van kunst: de verandering van materie in een betekenisvolle vorm.
Metamorfosen bestaat grotendeels uit ensembles van kunstwerken rondom bekende tweetallen uit de mythologie: Jupiter vermomt zich als gouden regen, nevel, zwaan en witte stier om Danaë, Io, Leda en Europa te veroveren; Arachne wordt uit jaloezie door Minerva in een spin veranderd na een weefwedstrijd, en Perseus triomfeert met het afgehakte hoofd van Medusa. Deze verhalen zijn vertegenwoordigd in klassieke meesterwerken: Correggio’s Io en Jupiter (1531), Caravaggio’s Narcissus (1597-1599), Hendrick Goltzius’ weelderige en blinkende Danaë (1603) en – aan het einde van de tentoonstelling – het Romeinse beeld van een Slapende Hermaphroditus dat Bernini begin zeventiende eeuw van een marmeren matras met kussen voorzag.
Deze verzameling kunstwerken is indrukwekkend, net als het werk van de curator, Frits Scholten. Met zijn primair poëtische insteek brengt Scholten metamorfose in verband met het kunstenaarschap. Door een amorfe massa te ordenen en in vorm te brengen, ontstaat er een kunstwerk. Deze artistieke scheppingsdaad wordt gespiegeld aan de ontstaansmythe van de kosmos die Ovidius beschrijft. Beide zijn een krachtmeting tussen chaos en orde, natuur en mens. Scholten brengt dit betoverend in beeld in de zaal ‘Chaos en Kosmos’. Op een groot doek van Louis Finson uit 1611 zijn de personificaties van de vier elementen verstrikt in een kolkend gevecht. Intense blikken en gestrekte lichamen zetten het doek onder spanning. Prométhée (1911) van Constantin Brancusi suggereert vorm dan weer met een minimale ingreep. In het marmeren ei tekent zich een oor af, de contouren van een neus, en dan stelt het een gezicht voor. Een mens lijkt tot leven te komen (of in de aarde te verdwijnen) in een sculptuur van Auguste Rodin: in La Terre (1884) maakt een figuur zichzelf los uit het gips. Het ontstaan van het leven lijkt zich hier vertraagd af te spelen.
Twee vormen van metamorfose – mythologisch en artistiek – naast elkaar tonen, verruimt de betekenis van het begrip en geeft de tentoonstelling diepte. In de zaal ‘Arachne en Minerva’ komt bijvoorbeeld de narratieve techniek aan bod van het verweven van verhalen, zoals Ovidius het reeds omschreef. Arachne (1575-1585) van Tintoretto – zelf afkomstig uit een textielfamilie – buigt zich over een weefgetouw, gadegeslagen door Minerva. De ongebruikelijke iconografie benadrukt de weefkunst, niet de gedaanteverwisseling. Twee reusachtige bronzen spinnen uit 2003 van Louise Bourgeois bespieden vanuit het midden van de zaal de bezoekers. De iets kleinere spin vindt bescherming onder de grote moederspin. Bourgeois’ moeder weefde ook tapijten. Als in een web hangt alles met elkaar samen, dwars door de tijd. Een schitterend ensemble is opgebouwd rond Narcissus. Wie voor het schilderij van Caravaggio gaat staan, wordt door een andere Narcissus, een Romeins beeldje, met betoverde blik bekeken. Wij kunnen alleen maar verliefd worden. Daarnaast staat een sculptuur van een mens, in tweeën gezaagd, de helften uit elkaar geschoven. In Intimité ou Narcisse (1950) van Ossip Zadkine is eenwording onmogelijk, maar toch zijn de helften één. Het beeld is spiegelglad gepolijst en de theorieën van Freud weerklinken op de achtergrond. Alweer ontstaat een web, ditmaal van reflecties.
De mythen zijn oorsprongsverhalen van begrippen die nog steeds resoneren: narcissen (en later: narcisme), kikkers, spinnen, echo’s. Het was interessant geweest om deze universele thema’s meer in de maatschappij in te bedden: de hermaphroditus (een tweeslachtig wezen) en kritiek op genderbinariteit, bijvoorbeeld. Waar kunst uit de zestiende en zeventiende eeuw uitblonk in lieflijke weergaven van wreedheden, zoals Jupiters verkrachtingen, biedt de moderne kunst wel het nodige tegenwicht, vaak met abstracte verbeeldingen van inhoudelijke motieven. Eén voorbeeld is Leda (1942)van Isamu Noguchi. In deze intieme versie van de Griekse mythologische figuur waarop Zeus verliefd werd, verandert een wolk van albast soepel in verschillende vormen. In de opening die ontstaat raken twee uitstulpingen elkaar net aan.
In de hedendaagse werken worden ook machtsverhoudingen benadrukt – niet programmatisch, maar de universaliteit van de mythologie wordt erdoor bevestigd. Zeus (2009) van Nandipha Mntambo toont een agressieve god met hoorns (als stier die Europa ontvoert), gevat in een zwart vrouwenlichaam (van de kunstenaar zelf) in gepatineerd brons. De sculptuur is niet zomaar een omkering van identiteiten, maar eerder een versmelting van Zeus met de kunstenaar. Ertussen staan Romeinse beelden voorzien van betekenisvolle blikken. Zij hebben alles al gezien. In de zaal met vroegmoderne kunst krijgen metamorfosen bovendien een satirische en schertsende rol. Portretten van penissen en groenten van Giuseppe Arcimboldo kunnen met spiegels ondersteboven worden bekeken, en ook een Nederlands vroegmodern portret van de paus blijkt een duivelskop.
Metamorfose is een machtsmiddel: wie kan een ander of zichzelf laten veranderen? Niet alleen bezeten goden kunnen dat, maar ook de kunstenaar ten overstaan van de natuur. De grote zaal waar de tentoonstelling mee eindigt, bevat een prachtige greep uit de vroegmoderne kunstkabinetten: verzamelaarsobjecten die het verschil tussen naturalia en artefacten tonen, en het spanningsveld daartussen. Een fascinerend houten beeld toont lepels die uit een afgezaagde stam lijken te groeien – een kronkel van de natuur, door mensenhanden getransformeerd. Bij een zeventiende-eeuwse bokaal, gedraaid – ‘Birkenmaier’ – uit een berkenboom, bleef de bast intact. Het zijn voorbeelden die speels het transformerende vermogen van de mens tonen om de natuur om te zetten in kunst, net zoals de kosmos een ordening van chaos is. Metamorfosen is een reflectie op verandering als ordenend principe. De rijkdom aan betekenissen lijkt soms overdadig, maar toont ook aan dat vormen niet definitief zijn, als wonderlijke haperingen in het almaar veranderende leven.
• Metamorfosen, tot 25 mei, Rijksmuseum, Museumstraat 1, Amsterdam.