width and height should be displayed here dynamically

Nageaapte melancholie

Over Maatschappij Discordia

Het Nederlandse theatergezelschap Maatschappij Discordia staat voor spel(plezier) en sterke scenografische beelden die omwille van uiteenlopende redenen – speelsheid, eenvoud, bitterheid,… – na de voorstelling nog vele jaren blijven nazinderen. Bart Meuleman, als theatermaker verbonden aan Dito’Dito dat samen met Stan en Maatschappij Discordia gedurende drie maanden opgaat in De Vere om diverse teksten uit het theaterrepertoire te spelen, bespreekt één werkstuk van Discordia, ”De tijd dat we nog niks van elkaar wisten”. Maar eerst delft hij in zijn geheugen enkele beelden op die hem toelaten de theaterpraktijk van Discordia te typeren.

Toen ik voor het eerst een voorstelling van Maatschappij Discordia zag, moest ik vaststellen dat er zo weinig te zien was. Er stond een oude zetel, aan weerskanten daarvan een speler, en in de zetel een derde speler die de zetel tot nut maakte. Op de achtergrond herinner ik mij een kast, en ondertussen ging in volle vaart, zo’n anderhalf uur lang, Heinar Kipphardts komedie “Schakespeare dringend gesucht” voorbij. De zetel zag ik meermaals terug in andere Discordia-voorstellingen. De spelers trouwens ook.

Vergeleken met andere toneelervaringen trof mij de armoede van het beeld, en met die armoede ook de warmte. De snelheid van het praten en het voor mij ongewone toneelbeeld stonden een natuurlijk verlopend gesprek niet in de weg. De spelers waren ook niet druk bezig mij van alles duidelijk te maken. Lange tijd was mij niets méér zichtbaar dan het verweerde leer, het hout en de mensen die praatten, tot ik, zonder dat er iets wezenlijks veranderde -het spel ging gewoon door – een halve seconde lang een schrijverswerkkamer zag in het holst van de nacht. Nog later: een restaurant waar iemand de rekening niet kon betalen. Nog later: een politiebureau tijdens een verhoor. Nog later, veel later, kon ik deze aangename ervaring naar waarde schatten. Ik begreep het grote respect van deze voorstelling voor mijn verbeeldingsvermogen. Het werd niet bestookt met allerlei bedoelingen, het kreeg ruimte om af en toe heel intens te zien, te voelen, te begrijpen. Zoveel jaren later bedenk ik daar een moraal bij. Men moet zuinig zijn op zijn verbeelding.

De afwezigheid van nadruk is eerder zeldzaam in het theater. Het theater wil graag duidelijk zijn. Niet in naturalistische zin, want van de onmogelijke ambitie naar de natuur voor te stellen is het al lang afgeholpen door film en televisie. Het theater is graag duidelijk in theatrale zin. Het wil doordrukken dat het codeert en transformeert. Anders nog: het pleit voor de bescherming van de verbeelding. Alleen heeft het die nieuwe taak te hard aan de borst gedrukt, als een slechte verliezer die zich krampachtig wil revancheren. Meerduidigheid is daarbij een sleutelbegrip, een morele kwalificatie zelfs – ook voor de kritiek en de theaterwetenschap. Er moet een bewijs geleverd worden, een bewijs van een lees- en decodeerbare complexiteit. Welnu, het evenwicht tussen die beoogde complexiteit – de theatrale vermomming van een bepaalde werkelijkheid – en de krampachtigheid waarmee men ze zichtbaar wil maken, houdt het theater goeddeels in een wurggreep.

Voorstellingen van Discordia confronteren me niet met dit probleem. Niet dat ze me niet aan het denken zetten, integendeel. Maar ze bevrijden me uit die wurggreep. Ze garanderen vrijheid, zoals ik al zei, en ze stoppen soms met het grootste gemak het hele medium in hun broekzak. Tijdens het voorwoord op “Measure for Measure” (Shakespeare) toonde Jan Joris Lamers een blokkendoos en sprak daarbij de historische woorden: “Dit is de mise-en-scène”. Alle dramaturgische vragen bij de toeschouwers waren daarmee meteen opgelost. Het karakteristieke voorwoord is trouwens niet het enige dat de toeschouwer steeds weer op zijn gemak stelt. De nog onbespeelde ruimte biedt iedere keer een blik van herkenning, van meubels, materialen, kleuren en natuurlijk vooral mensen. De herinnering aan de huiskamer, de plaats bij uitstek waar we binnen zijn, duikt altijd op. De onechte dreiging van een buiten krijgt geen kans. Geen valse pathetiek. Bij Discordia zijn we altijd veilig, hoe tragisch de verhalen ook mogen aflopen.

In november ’92 ging Discordia’s vertolking van “De tijd dat we nog niks van elkaar wisten” (1) in première, de voorlopig laatste toneeltekst van Peter Handke die bij verschijnen onmiddellijk de aandacht trok omdat hij uitsluitend uit regie-aanwijzingen bestaat: hij gebiedt, met als locatie de Place Vélizy, een eindeloze parade van voorbijgangers die in het passeren het specifieke van hun individuele vluchtigheid prijsgeven. Kwaadsprekers beweerden dat Handke lui was, dat hij er zich makkelijk vanaf maakte door van achter het raam te noteren wat er over het plein liep. Maar die bewering doet de schrijver onrecht aan. Handke was niet lui, hij was moe. Het stuk komt ook niet uit de lucht vallen. Enkele van zijn recente teksten kondigden het al impliciet aan. Via “Namiddag van een schrijver” (2) langs het “Essay over de moeheid” (3) slaagde hij erin om een hem oude, kwellende paradox te overwinnen door hem te laten voor wat hij was. In “Namiddag van een schrijver” gaat hij de uitdaging nog maar eens aan; hij wandelt eerst in een boog omheen Salzburg, dan, de stoute schoenen aangetrokken, dwars door het consumerende hart van de stad. Maar het bekomt de gevoelige slecht. De dreigende blikken van de winkelende massa jagen hem opnieuw naar huis (“In huis brandde licht, dat hij had aangelaten voor wanneer hij terugkwam”). Maar het “Essay over de moeheid” brengt de verlossing die de titel al in het vooruitzicht stelt. In een vraaggesprek met zichzelf roept de auteur alle hem herkenbare vormen van moeheid voor de geest, waarmee hij iedere keer ook zijn eigen levensgeschiedenis aanroert. De nog steeds niet volgroeide economische dictatuur maakt dat in toenemende mate tot een verslag, niet van het krachteloze verzet, maar van het verzet van de krachteloosheid. Nochtans wordt de troost steeds schraler. Hoe ouder hij wordt, constateert hij, hoe minder mensen om de moeheid mee te delen. “Essay over de moeheid” beschrijft het verhaal van een zich isolerende. Tot hij, die bewuste namiddag, na een lange vliegtuigrit, te moe om te gaan slapen, in Central Park verzeild geraakt, en voor één keer de wereld kan nemen zoals hij is. Wat een openbaring, wat een verzoening tussen de vermoeide en de voorbijgangers. “Maar geen denken aan dat wij, een van hen en ik, verder dan dat iets met elkaar gemeen hadden; ik wilde niets van hen, het was me al genoeg eindelijk een keer op die manier naar hen te kunnen kijken. En het was ook werkelijk de blik van een goede kijker (…). Het kijken van deze moeë was een activiteit, het deed iets, het greep in: de acteurs van het spel werden er beter door, nog mooier. Bijvoorbeeld doordat ze zich in de blik van zulke ogen meer tijd gunden. Deze langzame wimperslag liet hen gelden, liet hen tot hun recht komen. Van hem die zo keek werd op zijn beurt door de moeheid het ik-zelf, het eeuwig onrustwekkende, als door een wonder weggenomen: alle verdere verwringingen, aanwensels, tics en zorgenfronsen van hem afgevallen, niets anders meer dan de vrijgeworden ogen, eindelijk zo ondoorgrondelijk als die van Robert Mitchum.” In een laatste, overtreffende trap in dit verslag, een wensdroom. “Op deze trap zat de moeë God, moe en machteloos, in zijn moeheid echter – een graad moeër nog dan ooit een menselijk moeë – alomtegenwoordig, met een blik die, werd hij door de gezienen, waar ook ter wereld, zich bewust gemaakt en toegelaten, toch een soort macht had.” Die God veroorlooft Handke zich te zijn in “De tijd …” . Bevrijd van zijn zorgen, maar ook ontheven van de zelfverplichting zijn personages het woord te geven, te engageren, laat hij hen zien op het moment dat hij ze nog niet kent, als passanten. Handke vervult daarmee een droom die menig schrijver koestert, namelijk te kunnen ontsnappen aan het (laten) spreken, het woord ondubbelzinnig te kunnen verruilen voor het beeld. Zo verschijnen achter elkaar tientallen, misschien wel honderden figuren van divers pluimage, die je net de tijd geven hen te bekijken en in vrede met ze te zijn, alvorens ze verdwijnen. Sommigen herkennen we zo, zoals het oude vrouwtje met het boodschappenkarretje, of de skateboard-jongen. Anderen blijven vaag, ongedefinieerd. Weer andere verdienden hun sporen in de Bijbelse geschiedenis (Abraham en Isaac) of in de kunst (Papageno). Handkes arbeid bestond er voornamelijk in de parade een ritme te verlenen – er zijn regelmatig pauzes, sommige groepen defileren sneller of uitgebreider dan andere – en iedere opkomst te definiëren op een wijze, vergelijkbaar met de syntaxis van een sierlijke zin.

“De tijd …” is als een zucht uit een barst in de eeuwenoude aardkorst. Het is een krachttoer, een wensdroom, een zeer tijdelijk rustpunt. Een bevrijding van de zwaarte van de geschiedenis, maar één die er niet in kan slagen de herinnering aan dat gewicht daadwerkelijk te doen vergeten. Vandaar mijn gemengde gevoelens bij deze mooie partituur. Ze troost niet echt, niet sterk genoeg.

In de voorstelling van Discordia wordt de Place de Vélizy tot een tien meter lange lichtstreep, waarmee een houten schutting parallel loopt (4). In tegenstelling tot de wereldpremière in Wenen krijgt de realiteit van de flaneur die een terras gevonden heeft geen kans. Het plein is opgedoekt. Er is geen ruimte meer om te verschijnen, er is plaats om te demonstreren. En een focus die beveelt: aandacht, concentratie. Een veel grotere ingreep staat de toeschouwer echter nog te wachten. De tientallen voorbijgangers verschijnen niet zomaar, uit zichzelf , ze komen tevoorschijn nadat Jan Joris Lamers, die met een tekstbrochure aan het begin van de lichtstreep heeft postgevat, een of meerdere opkomsten heeft voorgelezen. En dan gebeurt het, iedere keer weer, Lamers leest, en een of meerdere van de andere spelers imiteert de opdracht naar eigen goeddunken. Niet ter illustratie van het gelezene, maar als naäperij. Niet het beeld dat ze via de beschrijving waar moeten maken trekt de aandacht, maar zijzelf, hun spel, hun plezier. In de imitatie is niet het beeld belangrijk, maar het gebaar. Het beeld vervaagt dan ook ten dele, en daarmee ook zijn cultus, die van de afstand, de contemplatie, de troostende weldadigheid. Iemand verschijnt met een blad van een kool op zijn hoofd. Het is een soldaat. Iemand racet met een stuk krantepapier over de vloer. Het is de skateboardjongen. Hier lijken wel kinderen aan het werk, het soort mensen dat met alles wat het vindt de wereld tracht te imiteren. Wat natuurlijk niet alleen amusant is, maar soms ook heel oneerbiedig.

De pauzes die Handke liet, benutten de Discordianen om in snel tempo en zeer slordig al spelend nog eens samen te vatten wat in een voorbij deel de revue passeerde. Ze imiteren hun eigen imitaties. Wat aan beeldpuin nog overbleef, wordt nu helemaal weggeveegd. Een opruimende, opgeruimde actie. Dat is niet stout, dat is een tikkeltje baldadig. Deze voorstelling weigert de geschiedenis op sleeptouw te nemen. Ze veegt er haar voeten aan, ze schudt ze van zich af. En dat met een gebaar dat de belofte van de onbekommerdheid wel degelijk weet te vervullen. Iemand had het na afloop over Tati. Zelf moest ik onophoudelijk aan de vrolijke arbeid van kinderen denken, als ze met moddervoeten over een pasgeboende vloer lopen, of op straat in plassen stampen. Hoe ze spiegelende oppervlakken enteren.

Discordia ironiseert noch persifleert de tekst van Handke. Het ontdekt gewoon wat er gebeurt als je een droom, die als droom niet echt aan de zwaarmoedigheid kon ontsnappen, plots werkelijkheid kunt laten worden. Je krijgt een kinderspel. Of toch iets dat die energie, die baldadigheid, die levensvatbaarheid in zich draagt. Toneel, als het goed is.

 

Noten

(1) “Die Stunde da wir nichts voneinander wussten” , Peter Handke, Suhrkamp.

(2) “Namiddag van een schrijver” , Peter Handke, (vert. Hans Hom), de Prom.

(3) “Essay over de moeheid” , Peter Handke, (vert. Hans Hom), de Prom.

(4) In de Toneelschuur te Haarlem, waar de voorstelling in première ging, en waar ook de gebruikte foto werd genomen, was van die houten wand nog geen sprake. Een van de muren van de zaal deed dienst als wand. Voor latere voorstellingsreeksen werd besloten een aparte houten wand te construeren.

 

Van 4 tot 8 mei worden er nog voorstellingen van De Vere (Maatschappij Discordia, Stan & Dito’Dito) geprogrammeerd in de Toneelschuur, Smedenstraat 23, Haarlem. Daarna keert het gezelschap terug naar België voor voorstellingen op 10 en 11 mei in ‘t Stuc, Van Evenstraat 2d, Leuven (016/23.67.73) en van 14 tot 22 mei in de Monty, Montignystraat 3, Antwerpen (03/238.64.97). De laatste voorstellingen van De Vere vinden waarschijnlijk van 24 tot 28 augustus en eveneens in de Monty plaats.