width and height should be displayed here dynamically

Ongekend Talent. Vrouwen van de Amsterdamse School

Louise Beijerman, Beeldhouwwerk Bijenkorf, Den Haag, 1925, foto Museum Het Schip

‘Weledele heer Kropholler’, zo werd Margaret Kropholler, in 1907 de eerste vrouwelijke architect van Nederland, geregeld in brieven aangesproken. Aan het begin van de vorige eeuw was ze een anomalie, hoewel vrouwen ook reeds rond de eeuwwisseling de kunsten vernieuwden en huizen bouwden. Met de tentoonstelling Ongekend talent verlegt Museum Het Schip de nadruk van Michel de Klerk (de architect van het museumgebouw) naar een figuur als Margaret Kropholler. Voorbij de signatuur op plannen en ontwerpen werd naar de vrouwen in het atelier gezocht. Ambacht en kunstnijverheidsscholen voeren de boventoon, in plaats van de bekende, hoofdzakelijk uit mannen bestaande architectuurbureaus. En naast het tijdschrift Wendingen – spreekbuis van de Amsterdamse School zonder één vrouwenstem – lezen we over de destijds populaire publicatie De Vrouw en haar Huis. Redacteur Elisabeth Rogge speelde een grote rol in het promoten van vrouwelijke kunstenaars. In 1918 riep ze vrouwen op om werk in te sturen naar de Tentoonstelling van Kunstnijverheid en Volkskunst in Rotterdam, ‘om te toonen dat ’t u werkelijk ernst is met uw liefde voor de kunst’.

Het resultaat van deze blikverschuiving is dat de Amsterdamse School, voornamelijk bekend voor haar architectuur, nu verschijnt als een stroming die streefde naar een totaalkunst waarin het onderscheid tussen schone en toegepaste kunst verdampte. De opzet van Ongekend talent volgt uit het ideaal van deze school, gebaseerd op het sociale weefsel van inspiratie en werkplaats, ambachten en kunstenaars, omdat ze samen een wezenlijke bijdrage leverden aan één geheel. Het ging om de emancipatie van kunst, maar ook om de emancipatie van de arbeider en de vrouw.

De tentoonstelling De Vrouw 1813-1913, georganiseerd in Amsterdam in 1913, was wat dat betreft een belangrijk evenement. In lijn met wereldtentoonstellingen en naar aanleiding van de Nederlandse onafhankelijkheid greep de vrouwenbeweging de kans om de strijd voor het vrouwenkiesrecht op grote schaal te verkondigen. Het werd een succes, met een recordaantal bezoekers. Naast het tonen van verwezenlijkingen was er ook aandacht voor wat nog ontbrak. Zo stelde Kropholler een modern woonhuis tentoon, ontworpen met het oog op de praktische noden van de huisvrouw (meubels met bergruimte, het theeservies hoog en zwaar genoeg zodat het niet omviel), zonder esthetiek en ornamentiek uit het oog te verliezen. Van deze ontwerpen zijn in Museum Het Schip tekeningen en foto’s te zien, maar Krophollers meest vooruitstrevende idee staat genoteerd in een schriftje. In 1919 geeft ze een lezing over het huis als futuristische emancipatiemachine: een boodschappenlift en vuilstortkokers kunnen de vrouw bevrijden van ‘gesjouw en gesloof’, zodat ze eindelijk tijd kan besteden ‘aan eenige diepere gedachte’. Kropholler integreerde industriële efficiëntie met huishoudelijk werk, uitgevoerd op één centrale plek voor meerdere gezinnen tegelijkertijd. Het gebouw is als een stad, zoals na de Tweede Wereldoorlog ook Le Corbusiers Unité d’Habitation. Kropholler was haar tijd vooruit, maar de tijdgeest gaf haar geen ruimte om haar plan te realiseren. Toch vormt het ontwerp uit 1919, samen met de expo De Vrouw 1813-1913, de plattegrond van de belofte van bevrijding.

De Amsterdamse School wordt vooral geassocieerd met expressionistische baksteenarchitectuur, zoals die van Piet Kramer en Michel de Klerk. Vandaag staan daar onder anderen grafisch ontwerper Tine Baanders en Fré Cohen, keramist Lea Halpern en beeldhouwer Louise Beijerman naast. Niet alleen toont Ongekend talent het bijzondere werk van deze vrouwen, ze krijgen ook biografisch reliëf, met citaten uit briefwisselingen die de sprankelende taal en de uitbundige tijdgeest weergeven. Wat de tentoonstelling echter bijzonder maakt, is de nadruk op de kruisbestuiving tussen kunstvormen. Het ideaal dat kunstenaars nastreefden was vormoverstijgend: dans inspireerde bouwkunst en bakstenen gevelletters beïnvloedden typografie. Kunst kon bewegen, als symbool voor de stroomversnelling die zich in groeiende steden voltrok. Louise Beijerman ontwierp in 1925 voor het postfiliaal in de Bijenkorf van Den Haag – een Gesamtkunstwerk van de Amsterdamse School – een houten pilaar die de vaart van nieuwe communicatie verbeeldde: een lenige hazewind springt over een rollende slak, een vogel neemt een duikvlucht; brieven vallen bliksemsnel in de bus. Beijerman ontwierp nog meer voor de Bijenkorf: op een bronzen reliëf zwieren gestileerde vrouwen in ritselende rokken met losse haren, terwijl ballonnen boven hen uitzweven. Deze beeldtaal is de zwaartekracht de baas en laat de toeschouwer dansen.

Wonderbaarlijk zijn de theatermaskers van marionettenkunstenaar Grietje Kots. Vanuit de hoogte draaien langgerekte en geabstraheerde maskers met verschillende gemoedsindrukken. De ogen zijn groot, als van Afrikaanse maskers. Op de wand prijkt een levensgroot portret van Kots, getekend in 1937 door John Rädecker. De stilistische overeenkomsten tussen hun werk zijn onmiskenbaar. Ze ontwerpt maskers voor dansvoorstellingen, zodat we belanden bij de invloed van de expressionistische danseres Leistikow, te zien in de porseleinen beeldjes die Theo Vos van haar maakte.

De kunst van deze vrouwen is een verrijking van de expressieve beeldtaal van de Amsterdamse School. Schalen met explosies van kleur van Lea Halpern ontstonden dankzij chemische experimenten met glazuur. Cathrien Bogtman, traditioneel in de schaduw van haar bekende broer Louis, introduceerde in het atelier de populaire batiktechniek uit Indonesië. Een prachtige zwarte vaas, gedecoreerd met een patroon van verkruimelde eierschalen, toont de technische vernieuwingsdrift en de samenwerking tussen broer en zus die onontbeerlijk was voor het atelier. Dat was ook zo in het atelier Kuyken, waar Marie Kuyken verbluffende cloisonnépanelen ontwierp. Als zelfstandig kunstwerk of geïntegreerd in meubels werden ze destijds geroemd, maar nu zijn ze onterecht vergeten. In de laatste zaal staat een weergaloos haardscherm van haar hand waarop een draak of naga is afgebeeld, een wezen uit het boeddhisme en hindoeïsme, dat tevens de Indonesische stijlinvloeden op de Amsterdamse School zichtbaar maakt.

Door het werk van vrouwelijke kunstenaars op te diepen, wordt de fantasierijke beeldtaal van de Amsterdamse School aangevuld met felle kleuren, technische vernieuwing, dansend beeldhouwwerk en expressieve marionetten. Tegelijkertijd is de vrouwenstrijd nooit ver weg. Wie kan de vraagstukken van het huis oplossen? Volgens Kropholler ligt net daarin de vrijheid voor de vrouw om tijd te kunnen besteden ‘aan een door haar geliefkoosde kunst of wetenschap’.

 

Ongekend talent. Vrouwen van de Amsterdamse School, tot 28 juni, Museum Het Schip, Oostzaanstraat 45, Amsterdam.