Queere Moderne 1900-1950

Bij aanvang van deze tentoonstelling in K20 van de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen in Düsseldorf hangt een wit, opaak gordijn, van plafond tot vloer, met daarop prikkelende vragen over de representatie van gemarginaliseerde groepen in de kunstgeschiedenis: ‘Hoe kunnen leegtes in de kunstgeschiedenis zichtbaar gemaakt worden? Wiens verhalen worden verteld?’ Queere Moderne brengt in kaart hoe queer kunstenaars in de eerste helft van de twintigste eeuw bijdroegen aan ontwikkelingen in de moderne kunst. Curatoren Anke Kempkes, Isabelle Malz en Isabelle Tondre richten zich op thema’s als het lichaam, seksualiteit en de politiek van zelfrepresentatie. Queer geldt hier als parapluterm voor wie zich als heteroseksueel noch cisgender identificeert.
Voorbij het gordijn hangt een portret van de Franse schilder Rosa Bonheur, gemaakt door Édouard Dubufe in 1857. Trots legt ze haar linkerarm op een stier, een penseel in de hand. Bonheur was een van de succesvolste kunstenaars van haar tijd. Ze woonde op een menagerie buiten Parijs en ontving bij hoge uitzondering een permission de travestissement, waarmee ze zich met een broek aan in het openbaar mocht vertonen. Het portret vormt een negentiende-eeuwse proloog op de zes grofweg chronologische clusters in de tentoonstelling. De focus ligt op de jaren twintig en dertig, waarin queer kunstenaars in steden als Parijs, Berlijn en New York gemeenschappen vormden en hun kunst steeds verder konden inzetten als expressiemiddel van hun identiteit en politiek gedachtegoed. Ze onderhielden vaak ambivalente verhoudingen met avant-gardistische stromingen zoals het surrealisme en De Stijl, die overheerst werden door witte heteromannen. Slechts een handjevol werken in deze tentoonstelling komt uit de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen zelf, wat aangeeft hoe beperkt queer kunstenaars aanwezig zijn in deze gerenommeerde collectie.
Vlak naast het portret van Bonheur hangt een ander gordijn, met een groot portret van de Amerikaanse beeldhouwer Richmond Barthé, die opgroeide in het zuiden van de Verenigde Staten. Na een opleiding aan het Art Institute in Chicago brak hij in de jaren dertig in New York door met bronzen sculpturen en portretten. Op de foto in de tentoonstelling is Barthé te zien met een van zijn werken, een sculptuur van een naakte, Zwarte man die trots overeind staat, ondanks de ketenen om zijn enkels. De kunstenaar kijkt zijn werk met een geconcentreerde, bijna verliefde blik aan, als een Zwarte queer Pygmalion die de eigen schepping bestudeert. Barthés verlangens en identiteit worden in dit portret verbeeld op een manier die niet expliciet is, maar die wel degelijk tastbaar wordt voor de oplettende kijker – tonen zonder te zeggen, zoals Jonathan D. Katz het omschrijft in de tentoonstellingscatalogus.
Kunstenaars van het queer modernisme kenden elkaars werk, bewogen zich in dezelfde omgevingen en hadden soms liefdesrelaties met elkaar. Kunst kon zo onderlinge netwerkvorming tot uiting brengen. Het schilderij Male Nude (Pat Nelson) van de Engelse Duncan Grant uit 1930 springt in het oog: een jonge, Zwarte man, naakt afgebeeld met de rug naar de toeschouwer. Grant, die lid was van de Bloomsbury Group, beeldde zijn partner Patrick Nelson af, wiens houding een intieme, maar ook kwetsbare indruk maakt. In de zaaltekst wordt terecht opgemerkt dat de erotiserende wijze waarop Nelson in dit soort schilderijen wordt afgebeeld niet los gezien kan worden van koloniale stereotypen en sociale hiërarchieën uit het interbellum.
Met de opkomst van het fascisme in de jaren dertig vielen veel queer netwerken uiteen. In nazi-Duitsland zette paragraaf 175 van het Duitse wetboek aan tot het opsluiten van queer mensen in concentratiekampen of tot vreselijke medische experimenten. Sommige queer kunstenaars sloegen op de vlucht of gingen in verzet. Zo trok het koppel Claude Cahun en Marcel Moore in 1938 vanuit Parijs naar het eiland Jersey. Een reeks foto’s en archiefmaterialen in de tentoonstelling laten zien hoe ze zich vermomden als stiefzussen en heimelijk antifascistische pamfletten over het eiland verspreidden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een foto van Cahun van na de bevrijding in mei 1945 toont hen triomfantelijk met een nazibroche in de mond.
Andere queer kunstenaars stelden zich juist ontvankelijk op voor het fascisme, zoals de Amerikaanse, in Europa wonende schilder Romaine Brooks. Haar oeuvre, waarvan enkele krachtige voorbeelden in Düsseldorf te zien zijn, bestaat hoofdzakelijk uit portretten en figuren afgebeeld in een kil kleurenpalet. Partners en queer vrienden stonden model. Als erfgename van een mijnbouwimperium kon ze zich afzijdig houden van ontwikkelingen in de kunst en van de belangen van opdrachtgevers. Brooks bracht de oorlog door in een villa in Florence, gedreven door fascistische sympathieën en angst voor een communistische staat waarin ze haar vermogen zou verliezen.
Aan het eind van de tentoonstelling kan de bezoeker terecht in een Aktionsraum om te lezen, uit te rusten of te knutselen. De ruimte is ontwikkeld samen met een queer adviesgroep van activisten en onderzoekers. De vragen die aan het begin van de tentoonstelling verschenen op het gordijn, zoals ‘Wiens verhalen worden verteld?’, keren hier terug op kaarten. Op de achterzijde geven de tentoonstellingsmakers commentaar en kan de bezoeker een reactie achterlaten.
Queere Moderne biedt een indrukwekkende opsomming van twintigste-eeuwse kunstenaars die speelden met normen en verwachtingen over identiteit en zelfrepresentatie. Op een inhoudelijke en toegankelijke wijze wordt de kunst van het queer modernisme geduid en in een historische context geplaatst. Tegelijkertijd getuigt de expo van de uitdagingen die met deze ambitie gepaard gaan. Zo blijven, ondanks enkele uitzonderingen zoals Barthé, de verhalen van queer kunstenaars van kleur of met een migratieachtergrond onderbelicht. Op een van de kaarten geven de curatoren toe dat dergelijke perspectieven in mindere mate in archieven en collecties gerepresenteerd zijn. Het biedt een goede aanleiding om een vervolg op Queere Moderne te organiseren.
• Queere Moderne 1900-1950, tot 15 februari, K20 Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Grabbeplatz 5, Düsseldorf.