The Family of Migrants

Hoe breng je vandaag migratie in beeld, met stip het meest heikele politieke onderwerp van de laatste decennia? Voor de curatoren van Fenix, het gloednieuwe Rotterdamse kunstmuseum rond migratie, is het een centrale vraag. De indrukwekkende openingstentoonstelling The Family of Migrants bestaat uit bijna tweehonderd foto’s, tussen 1905 en 2025 gemaakt door 136 fotografen in maar liefst 55 landen. Ze tonen migratie eerst en vooral als een veelzijdig fenomeen, tegen de versimpelende politieke retoriek in. Mensen verhuizen om de meest uiteenlopende redenen: vrijwillig omwille van studies, werk of liefde, dan wel gedwongen door oorlog, klimaatverandering, kansarmoede of de gevaren die politieke overtuiging, genderidentiteit of seksuele voorkeur met zich meebrengen.
De titel verwijst naar een legendarische fototentoonstelling uit 1955 in het MoMA in New York, The Family of Man, die daarna de wereld rondreisde en een miljoenenpubliek bereikte. Meer dan vijfhonderd beelden boden een panoramische blik op de manieren van leven in verschillende uithoeken van de planeet. Tien jaar na de Tweede Wereldoorlog en in volle Koude Oorlog was het een poging om een groots, verbindend verhaal te vertellen, al deden velen de blockbuster al snel af als een vorm van Amerikaans cultuurimperialisme. Een van de scherpste critici was Roland Barthes. In een tekst die werd opgenomen in zijn invloedrijke bundel Mythologies (1957) ontmaskerde hij het idealistische humanisme van The Family of Man als een misleidende mythe van eenheid: ‘De mens wordt geboren, werkt, lacht en sterft overal op dezelfde wijze.’ Zo’n universalistische visie op de condition humaine miskende de impact van de geschiedenis en de onrechtvaardige machtsverhoudingen die zij voortbrengt.
Van dat humanistische geloof blijft in onze tijd vol hyperpolitieke stammentwisten, genocidaal geweld en verkruimelende internationale rechtsnormen weinig over. Fenix bevindt zich bovendien in een stad en een land waar een rabiate antimigratiepartij de boventoon voert. In die uiterst gepolariseerde context kiezen ook de curatoren van The Family of Migrants voor een zelfbewust ‘verbindend’ gebaar, maar dan wel zonder de historisch bepaalde ongelijkheden en verschillen weg te poetsen. Het valt niet te ontkennen: de plek waar je wieg staat bepaalt je kansen.
De tentoonstelling ontvouwt een people’s history van migratie in 193 genummerde fragmenten in een heldere, lineaire dramaturgie. Op een anonieme foto met Albert Einstein na, die als Jood het naziregime ontvluchtte, worden onbekende migranten afgebeeld in verschillende tijden en op verschillende plaatsen. Door de inherente diversiteit van de condition migrante lopen hun levensomstandigheden fel uiteen. Een aantal curatoriële ingrepen creëert de indruk van grensoverschrijdende verwantschappen of van lotsverbondenheid. Zo is er het overkoepelende, gedeelde narratief van vertrek, reis en aankomst. Foto’s hangen geclusterd rond thema’s als moeders en kinderen, spel of grensbewaking. Vele beeldrijmen betrekken verhalen op elkaar. Twee keer wordt een baby over prikkeldraad getild, twee keer steekt een groep mensen langs een ingestorte brug een rivier over, drie keer turen gezichten door de ronde raampjes van een schip naar buiten.
De overeenkomsten scherpen de aandacht aan voor wat de foto’s onderscheidt. Wie zijn de in beeld gebrachte personen? Waar en wanneer speelt het tafereel zich af? Was de fotograaf een local of een ingevlogen journalist? Dat de meeste beelden zwart-wit zijn, maakt het moeilijker om ze historisch te situeren, althans op het eerste gezicht. Dat giswerk, en het verifiëren ervan, vormt een belangrijk onderdeel van de kijkervaring. Antwoorden op de vragen naar het wie, wat, waar en wanneer vind je niet direct terug als onderschrift bij de foto’s, maar in een brochure die je bij het binnengaan in de handen krijgt gedrukt. Het is een cruciaal verschil met The Family of Man, dat beelden presenteerde zonder kaderende informatie, vermoedelijk om hun zogenaamde algemene menselijkheid sterker uit de verf te laten komen. Samensteller Edward Steichen beschouwde de fotografie dan ook als ‘de enige universele taal die we hebben, de enige die geen vertaling behoeft’.
The Family of Migrants toont dat in de interactie tussen woord en beeld net een belangrijk kritisch potentieel kan schuilen. De brochureteksten, meestal niet langer dan een drietal regels, confronteren je met vooroordelen en kijkpatronen, zodat aanvankelijke interpretaties moeten worden bijgesteld. Wie neig je te categoriseren als asielzoeker, en wie als reiziger, nomade of gastarbeider? Op een foto van Ad van Denderen uit 2001 figureren vluchtelingen, maar bij nader inzien blijken sommigen smokkelaars te zijn. Het roept de vraag op hoe de twee posities verschillen, en of je er zomaar het simpele dader-slachtofferschema op kan toepassen, zoals zoveel Europese bewindslui doen.
Een van de meest gereproduceerde foto’s in de expo, afgedrukt op een opvallend klein formaat, is het portret dat Steve McCurry in 1984 maakte van een twaalfjarige Afghaanse vluchtelinge, die nadien bekend kwam te staan als de ‘Afghan Girl’. De brochuretekst noemt haar naam – Sharbat Gula – en geeft iets terug van haar menselijkheid en individualiteit, nadat ze decennia als passe-partout heeft gediend voor ‘de Afghaanse vrouw’, ‘de vluchteling’ of ‘de derdewereldmens’. Deze tentoonstelling herinnert je eraan dat heel wat beelden en hun interpretaties producten zijn van machtsverhoudingen, gelinkt aan ras, gender, klasse of leeftijd – zowel bij de geportretteerde, de fotograaf als bij de toeschouwer.
Meermaals moet ik denken aan dat pijnlijk verhelderende begrip dat centraal staat in een aantal boeken van Judith Butler: grievable. De Amerikaanse filosoof wijst daarmee op een krasse vorm van ongelijkheid tussen mensen, namelijk het feit dat sommige individuen – als ze tenminste als individuen worden beschouwd – minder droefeniswaardig lijken dan anderen. Dat is wat spreekt uit het contrast tussen Alessandro Penso’s foto uit 2015 en die van Ed van Wijk uit 1953, die naast elkaar hangen en min of meer hetzelfde tafereel afbeelden: een moeder die haar kind(eren) warm houdt met een dekentje. De eersten zijn vluchtelingen van kleur die net met een bootje op het Griekse eiland Lesbos zijn aangekomen; in het tweede geval gaat het om een wit gezin dat werd geëvacueerd na een grote watersnoodramp in Nederland. Wie van hen had meer kans om met naam en toenaam in de krant te komen?
Het valt op hoe de Nederlandse context in het laatste kwart van de tentoonstelling steeds nadrukkelijker op de voorgrond treedt, met beelden van asielzoekers bij het opvangcentrum in Ter Apel (2022), racistische graffiti onder een brug in Rotterdam (1982), kinderen van Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (1952), de zogenaamde ‘John Chinaman’ in het Rotterdamse Chinatown (1922), een Eritrese man die zich in Schiphol na jaren met zijn gezin verenigt (2017), de Nederlandse feestdag Ketikoti ter herdenking van de afschaffing van de slavernij (1948) en een oma die in Amsterdam haar kleinzoon uit Indonesië ontmoet (1964). Het lijkt wel alsof de curatoren hun weidse, wereldomspannende beeldessay aan het eind wilden verankeren in de Nederlandse geschiedenis, en hun in hoofdzaak Nederlandse publiek – in al z’n diversiteit – wilden confronteren met de vraag hoe het slavernijverleden, kolonialisme, racisme, het grensbeleid en de migratiesamenleving met elkaar samenhangen.
• The Family of Migrants. Vertrek, reis en aankomst in bijna tweehonderd foto’s, sinds 16 mei, Fenix, Paul Nijghkade 5, Rotterdam.





