Thuis in de 17de eeuw. Een dag uit het leven in de tijd van Rembrandt, Frans Hals en Vermeer

In het zeventiende-eeuwse Schilderboeck (1604) beschrijft Karel van Mander de ‘doorsienkunde’, een techniek om met doorkijkjes het beeldvlak te verdiepen en om de toeschouwer tot steeds grotere nieuwsgierigheid te verleiden. Met een deur op een kier, bomen of rotsen in de verte, suggereert de schilder de aanwezigheid van verscholen ruimtes en verstopte figuren die het oog wil ontdekken. Kunstenaars spelen met dit verlangen om te gluren: denk aan de interieurscènes van Pieter de Hooch en het poppenhuis van Petronella Oortman. In de tentoonstelling Thuis in de 17de eeuw in het Rijksmuseum worden de deuren van deze huizen geopend. Elke zaal voert naar een ander deel van de dag; we wandelen door kamers op het ritme van een dag werk. Museale collecties vertellen veelal het verhaal van rijkdom en uitzonderlijkheden, maar in deze tentoonstelling verbreedt het Rijksmuseum dit beeld door het alledaagse en anonieme op te diepen in samenwerking met archeologen. Zo belanden keramieken spinsteentjes, een heiboender (een kleine bezem) en aardewerken speelgoed in glazen vitrines, naast een roodfluwelen toiletset en een rijk gedecoreerde linnenpers. In de schaduw van het schitterende poppenhuis van Petronella Dunois (1676) ligt de gehele inboedel van Thomas Hendriks, opgetekend door de armenkamer te Leiden.
De tentoonstelling werd vormgegeven door theatermaker Steef de Jong, die een geabstraheerde weergave van deze inventaris maakte uit karton en textiel. Dunois verdubbelde haar inboedel in miniatuur in een kabinet waar Hendriks’ gehele bezit in past. Thuis in de 17de eeuw verdeelt in arm en rijk, als stonden ze tegenover elkaar. Hiermee blijft onderbelicht dat verschillende klassen ook samenleefden in zo’n huis. Op de waszolder van het poppenhuis van Dunois strijkt een dienstmeid het linnengoed. Nog duidelijker blijkt deze vorm van ‘samenleven’ uit het portret uit 1687 van de diplomaat Thomas Hees door Michiel van Musscher, in de zaal met als thema ‘werk’. Hees leunt tussen zijn overzeese aanwinsten: de atlas valt open op het Middellandse Zeegebied, er hangen wapens en koraal aan het plafond, hij draagt een șalvar en rookt een Turkse pijp. Zijn twee neven helpen hem, terwijl de tot slaaf gemaakte ‘Thomas Algiers’ hem bedient. Het demonstreert dat het dienstpersoneel ook tot de inboedel behoorde.
De brieventas op dit portret ligt op zaal, en zo zijn er nog meer miniatuurvoorwerpen en gebruiksvoorwerpen die refereren aan hun gerepresenteerde versie: een tafel op het portret van Eva Wtewael, geschilderd door haar vader Joachim; een naaikussen op Eva’s schoot dat opduikt in het poppenhuis van Oortman. Het meubilair op een schilderij of in miniatuur wordt verheven tot pronkstuk en legt een cruciaal aspect van zeventiende-eeuwse kunstbeleving bloot: het huis, pronkkamers en meubilair waren ook kunstwerken. Petronella Oortman werkte tussen 1685 en 1710 aan haar poppenhuis. Alle miniatuurvoorwerpen zijn waarachtige reproducties: de betimmering op de muren, de met trompe l’oeil beschilderde plafonds. Zelfs in de bibliotheek liggen beschreven boeken en er kan water worden gepompt in de ‘kookkeuken’. Deze miniatuurwereld doet niet onder voor een kunstkabinet. In boedelinventarissen worden poppenhuizen ‘konstkabinetten’ genoemd en de gegoede burgerij bezoekt ze als rariteitenverzamelingen.
Voor een tentoonstelling waarin twee poppenhuizen de spil vormen, blijven ze echter onderbelicht. Wat meer context had het denkwerk geïllustreerd, net als de fijnzinnigheid van de vervaardiging en de grote kunstwaarde die ze in de zeventiende en achttiende eeuw genoten. Het schilderij dat Jacob Appel van Oortmans poppenhuis schilderde in 1710 ontbreekt bijvoorbeeld, terwijl daarop scènes met poppen in de kamers te zien zijn, en het gele gordijn dat het poppenhuis omlijst deze levendige theatraliteit benadrukt. In plaats daarvan reduceert de opstelling van de expositie het poppenhuis tot een verstild ideaal huishouden waarin de vrouw zich bewijst als ‘toegewijde en zorgzame echtgenoot’, aldus de folder. Dat is zonde, niet alleen omdat het een eenzijdig stereotype van de zeventiende-eeuwse vrouw herhaalt, maar ook omdat het poppenhuis een nieuwe en originele benadering biedt om het zeventiende-eeuwse huis als kunstwerk te beschouwen en de vrouw des huizes als kunstverzamelaar met macht. Zo demonstreert een zilveren chatelaine waaraan zes sleutels en een bestekkoker hangen, gedecoreerd met een medaillon van Judith en Holofernes, haar taak: als hoedster van de sleutels, met toegang tot alle kasten en deuren, beheert zij het huishouden. Dat de inrichting van het huis daar ook vaak toe behoorde, laat het Rijksmuseum onbenoemd. Inhoudelijke samenhang had aangereikt kunnen worden door aandacht te schenken aan het verheffen van het huiselijke tot kunst, zodat kunst ook behoorde tot de huishoudelijke consumptie.
In de tentoongestelde contemporaine bronnen (huishoudboeken, doktersadviezen en opvoedkundige traktaten) ligt de nadruk op moraliteit en gezondheid. Zo waren embleemboeken die alledaagse huisraad van een morele betekenis voorzagen razend populair. In Het leerzaam huisraad (1711) debiteert Jan Luyken de niet ondubbelzinnige wijsheid, bij een prent van een kapstok: ‘’t Binnenste is ’t meeste.’ Het verduidelijkt het zeventiende-eeuwse denken in analogieën: elke huiselijke handeling verwees naar christelijke zedenwetten en tegelijkertijd toont het aan hoe de toenmalige huiselijke wereld en de denkwereld in dergelijke embleemboeken met elkaar verweven waren.
In de ‘Eetkamer’ bereikt het verlangen om binnen te gluren een hoogtepunt. Aan de wand prijkt het familieportret uit 1662 van de Hoornse burgemeester Meyndert Sonck. De tafel voor het avondmaal is gedekt met zilveren serveerschalen en specerijenkistjes. Verstopt achter een deurtje in de kartonnen reproductie van hun servieskast liggen etensrestjes, zoals botten van gevogelte, mosselschelpen, maar ook een gebroken spaarvarkentje, Chinees porselein en Indiaas aardewerk. Als archeologisch restant brengt huishoudelijk afval het leven van vier eeuwen geleden naar het heden. De combinatie van archeologie, schilderkunst en toegepaste kunst levert hier een geslaagde indruk van een toenmalige eetkamer op.
De Jong bouwde ook kartonnen behuizing voor andere meubels, geïnspireerd op het zeventiende-eeuwse interieur en soms expliciet overgenomen van Oortmans poppenhuis. Zo kan de bezoeker een huis fysiek ontdekken: in keukenkastjes neuzen, door het sleutelgat gluren. Voor het tentoonstellen van een zijden rijglijfje en een ‘Hansje in de kelder’, een drinkglas om te proosten op een zwangerschap, bouwde hij kijkdozen die doen denken aan Samuel van Hoogstratens perspectiefkast. Twee kartonnen kastdeuren kunnen geopend worden, maar ik verlang naar meer beweging, krakend hout en flakkerend licht. De Jongs decor moet de meubels tot leven wekken, maar de meubels hebben geen functie: de kasten blijven gesloten, er zijn geen gordijnen om van de dag nacht te maken, en in de zalen klinkt niet het tumult van een huishouden van Jan Steen. Ik stel me een tentoonstelling voor waarin de deuren van de linnenkast op een kier staan, brieven uit de lades van een secretaire hangen en de kast van het kinderspeelgoed op springen staat.
• Thuis in de 17de eeuw. Een dag uit het leven in de tijd van Rembrandt, Frans Hals en Vermeer, tot 11 januari, Rijksmuseum, Museumstraat 1, Amsterdam.





