width and height should be displayed here dynamically

William Klein/Paule Pia

Voor zijn tweede tentoonstelling is het nog maar net vernieuwde FotoMuseum Antwerpen er al meteen in geslaagd een grote naam binnen te halen: met een retrospectieve gewijd aan de veelzijdige beeldkunstenaar William Klein (°1928) toont de Antwerpse instelling dat ze ook internationaal wil (en kan) meespelen. Het baanbrekende oeuvre van Klein past bovendien perfect binnen de tentoonstellingspolitiek van het FotoMuseum: dwars, brutaal, vernieuwend, maar tegelijkertijd ook toegankelijk en publieksvriendelijk.

William Klein kwam de fotografiewereld binnengestormd in 1956, toen een Parijse uitgeverij zijn eerste fotoboek publiceerde, vol met prikkelende en choquerende beelden uit New York. Onder de provocerende titel Life is Good and Good for You in New York: Trance Witness Revels leverde Klein een baldadig essay af over het leven in deze hectische metropool. Niet zozeer de inhoud – een hoogst ontvlambare mix van grootstedelijke vervreemding, luidruchtige reclame en het immer dreigend geweld van mensen die naast en niet met elkaar leven – dan wel de radicale stijl maakte het boek berucht. Niets werd de kijker bespaard: grove korrel, bewegingsonscherpte, brutaal snijdende kaders, harde contrasten – kortom alles wat voor de pleitbezorgers van de technisch perfecte print als heiligschennis gold. De Europese fotografie, laverend tussen de humanistische reportagefotografie van Henri Cartier-Bresson en het opgepoetst modernisme van de Subjectieve Fotografie, wist niet wat het met deze hondsbrutale foto’s aanmoest. Toch werd het boek meteen een klassieker. In 1957 won het de Prix Nadar voor de meest vernieuwende fotopublicatie. Het succes zette Klein aan om ook andere steden op een vergelijkbare manier te gaan fotograferen. Na New York volgden Rome, Tokio en Moskou; maar na de publicatie van zijn boek over Moskou in 1964 stopt Klein plotseling met fotograferen, om over te schakelen op film.

De bijdrage van Klein tot de fotografie beperkt zich echter niet tot de introductie van een nieuwe, uitdagende vorm van straatfotografie. Ook in de modefotografie ontketende hij een ware revolutie. Onder impuls van Klein verliet het fotomodel voor het eerst de veilige, beheersbare studio en kwam het terecht in de overweldigende dynamiek van de grootstad. En net zoals bij zijn straatfotografie gebruikte Klein de stedelijke context om de verhoudingen tussen de personages in het beeld aan te scherpen: of het nu gaat om de relatie tussen modellen onderling, tussen het model en haar spiegelbeeld, tussen het model en het toevallig voorbijwandelende publiek, allemaal worden ze onder hoogspanning gezet. De geladen sfeer die Klein zo creëert, vloeit voort uit een specifieke opvatting over de verhouding tussen fotograaf en onderwerp. Klein gebruikt de fotocamera als een wapen. Hij gaat niet te werk als een laffe rover die zijn nietsvermoedende prooi vanachter het struikgewas besluipt, maar opteert voor de viriele rol van de revolverheld die zijn tegenstrever met open vizier tegemoet treedt. Steevast zoekt hij het conflict, daagt hij de mensen voor de camera uit. Klein gelooft duidelijk niet in de positie van de neutrale observator. Met zijn stoutmoedige tactiek wil hij een beeld creëren dat werkt als een fragmentatiebom. Zijn foto’s zijn dan ook geen verklarende documenten; ze geven geen helder en overzichtelijk beeld van een situatie, maar willen de sensuele prikkeling van een agerend en fotograferend lichaam zichtbaar maken.

Dezelfde drieste technieken vinden we ook terug in zijn filmwerk. In zijn fictiefilms bijvoorbeeld overheerst een chaotische cameravoering vaak op de ontwikkeling van een heldere, overzichtelijke verhaallijn. Ook de keuze van het onderwerp voor sommige van zijn documentaire films verraadt de voorliefde van Klein voor broeierige situaties – naast een film over het straatprotest in Parijs tijdens het woelige jaar 1968, maakte hij bijvoorbeeld een schitterende documentaire over Mohammed Ali. Dat een fotograaf die zijn straatfotografie als een bokswedstrijd zag zich aangesproken voelde door het leven van bokslegende Mohammed Ali lijkt haast vanzelfsprekend. Een retrospectieve van zijn films zal in de zomer te zien zijn in het Antwerpse Filmmuseum.

Het FotoMuseum presenteert de foto’s van Klein in een groot formaat, net zoals het Maison Européenne de la Photographie dat enkele jaren geleden deed met zijn Parijse straatfotografie. Hoewel die keuze de goedkeuring wegdraagt van de fotograaf (Klein heeft zelf voor deze presentatievorm gekozen), heeft ze enkele nadelige gevolgen. Door de beelden op zo’n bombastische manier te presenteren, verliezen ze veel van hun scherpte. De frisse en energieke stijl van weleer verdwijnt achter de logge en onhandelbare massa van het beeld. Zelfs in de weidse zaal van het FotoMuseum levert die opeenstapeling van beelden een drukkend gevoel op. Wellicht kiest Klein ten dele voor dit blufferige formaat om de zwakte van zijn recente werk te verhullen. In de schrille kleurenfoto’s die hij eind jaren negentig in Parijs maakte, is zijn beeldtaal een formule geworden. Zijn strategieën om beelden te maken als een splinterbom werken niet langer. Door wild met de camera te zwaaien of door ongewone camerastandpunten in te nemen probeert Klein zijn beelden op te laden met een energie die nauwelijks nog correspondeert met de dynamiek van de scène die hij vastlegt. Zijn driftige beeldtaal is ook helemaal niet aangepast aan het beeld dat hij van het huidige Parijs wil geven – een harmonieuze, multiculturele stad waar rassen, kleuren en sociale groepen probleemloos met elkaar versmolten zijn. In zo’n urbane oase klinkt de luidruchtige stem van Klein wel heel hol.

Naast de tentoonstelling van William Klein loopt in de oude vleugel van het museum nog een retrospectieve tentoonstelling over de Belgische fotografe Paule Pia. Haar bekendheid heeft ze vooral te danken aan haar werk als portret- en modefotograaf (ze was in de jaren zestig één van de eerste vrouwelijke modefotografen in België). Daarnaast maakte ze ook reportages (onder andere een paar mooie series over Hongarije en Polen in de vroege jaren tachtig) en vanaf de late jaren tachtig hield ze zich vooral bezig met autonome kunstfotografie. De tentoonstelling belicht vooral de enorme veelzijdigheid van dit werk, maar slaagt er niet in een precies beeld te geven van de waarde ervan. Daarvoor is het aangeboden materiaal te heterogeen en wordt er te encyclopedisch mee omgesprongen. Wat wel met enige zekerheid kan beweerd worden, is dat Paule Pia op institutioneel vlak een grote betekenis heeft gehad. Met haar galerie in Antwerpen (een van de eerste fotogaleries in Europa en zeker de eerste in België) is ze er van 1974 tot 1986 in geslaagd een breed publiek in contact te brengen met fotografie, en dat op een moment dat geen enkel Belgisch museum voor dit medium belangstelling toonde. Met maar liefst tweehonderd tentoonstellingen, vaak van internationale topfotografen, heeft de galerie dan ook een cruciale rol gespeeld in de promotie van fotografie als een belangrijke beeldvorm. Naast een tentoonstelling (geput uit de schenking van het privé-archief van Paule Pia aan het FotoMuseum) is er ook een monografie over haar werk verschenen. Beide moeten duidelijk maken dat het FotoMuseum zijn rol van onderzoeksinstelling ernstig neemt. Spijtig genoeg is de samensteller van dienst (de fotohistoricus Marc Van Gysegem) er niet in geslaagd haar fotografisch werk in een kritisch perspectief te plaatsen. Zijn in schabouwelijk Nederlands geschreven essay krijgt geen greep op het oeuvre van deze nochtans fascinerende fotografe.

 

• De tentoonstellingen William Klein. Retrospective: Fotografie en Film en Paule Pia lopen nog tot 12 september in het FotoMuseum, Waalse Kaai 47, 2000 Antwerpen (03/242.93.00; www.fotomuseum.be).