ESSAYS

Waar en hoe kan Vlaanderen stedelijk worden? Een gesprek over glokaliteit

Paneldiscussie met Eric Corijn, Joachim Declerck en André Loeckx, gemodereerd door Michiel Dehaene

De kwestie van het lokale

Een brief van Pierre Hebbelinck aan Geert Bekaert, en een antwoord van Geert Bekaert (2009-2010)

Pierre Hebbelinck, Geert Bekaert

Van Jeugd en Plastische Kunst naar de Forums: hedendaagse kunst in Gent (in de jaren 60)

Interview met Marc De Cock, oud-voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent

Koen Brams, Dirk Pültau
Home

De Witte Raaf wil het intellectuele en kritische debat over kunst voeden met interviews, diepgaande essayistiek en kritiek. In de vorm van een gratis meeneemkrant en een vrij toegankelijke website is het tijdschrift altijd en voor iedereen beschikbaar. Om die taak te kunnen blijven vervullen, is uw financiële steun nodig. Met een klein bedrag geeft u te kennen dat u een blad als De Witte Raaf belangrijk vindt.

Stort uw bijdrage.

Of neem een (steun)abonnement.

De Witte Raaf

nr. 168
Editie maart-april 2014



Lokaal-regionaal-provinciaal (2)

Moet lokaliteit enkel als een fysieke plek of ook als een ‘knoop in een netwerk’ worden gedefinieerd? Deze vraag is het vertrekpunt in een door Michiel Dehaene gemodereerd panelgesprek over 'glokaliteit' en stedelijkheid (in Vlaanderen) met stadssocioloog Eric Corijn en de stedenbouwkundigen André Loeckx en Joachim Declerck. Loeckx benadrukt het belang van de ‘ambivalente ruimte’ – de ruimte waar verschillende dimensies zoals het rurale en het (groot)stedelijke samenkomen – en stelt dat daar een ‘politieke strijd’ wordt uitgevochten. Declerck bekritiseert de heersende gedachte ‘dat Vlaanderen gekenmerkt zou worden door een sterke eigenheid en interne coherentie’ en houdt een pleidooi om de verschillen in het Vlaamse verstedelijkte landschap juist te versterken. Corijn, ten slotte, breekt een lans voor de grootstad, omdat die bij uitstek de locus vormt voor ‘het samenleven met onherleidbare verschillen’, en legt een verband tussen het gebrek aan stedelijke cultuur in Vlaanderen en de successen van extreem-rechts in het recente verleden.

De tweede bijdrage in dit nummer betreft een correspondentie tussen architect Pierre Hebbelinck en architectuurcriticus Geert Bekaert. Voor Hebbelinck biedt het lokale kansen om een kritisch en ‘antiuniversalistisch’ perspectief op de architecturale praktijk te ontwikkelen. Bekaert beschouwt het lokale als een moment in de dynamiek van élke (artistieke/architecturale) praktijk: ‘Er is niets anders dan het lokale, maar dat lokale zelf kan slechts bestaan door het universele in zich op te nemen. Het lokale streeft altijd naar het universele, maar kan dit nooit bereiken.’ Daarbij legt Bekaert de vinger op een belangrijk probleem: als je voor ‘het lokale’ als zodanig opkomt, dreig je in ‘lokalisme’ te vervallen.

In een voorpublicatie van zijn autobiografische roman thematiseert Bart Meuleman de beklemming van het lokale. Het is de geometrisch-abstracte kunst van Mondriaan, met haar universele aanspraak en sublieme gestrengheid, die hem aan de benepenheid van het ouderlijk huis doet ontsnappen.

Tot slot omvat dit nummer een tekst van Ernst van Alphen over het fotowerk van Awoiska van der Molen en de eerste aflevering van een interview door Koen Brams & Dirk Pültau met Marc De Cock, de voormalige voorzitter van de eveneens voormalige Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent.