nr132
maart-april 2008

‘Jugendstil’

Wat kenmerkt het ‘jonge’ of ‘eerste’ werk van kunstenaars? Het tegendeel van wat de Altersstil typeert, zou je denken: Altersstil is introvert, gelouterd, bespiegelend van aard; de jeugdstijl is jong, explosief, onrijp, maar ook zwanger van beloftes.

Los van die (halfware) clichés roepen de jonge en late stijl heel verschillende problematieken op. Het laatste werk kan doorgaans objectief worden vastgesteld: Bachs onafgewerkte Fuga a 3 Soggetti breekt ondubbelzinnig af op het moment dat de meester de geest heeft gegeven… Maar wat is het éérste werk van de kunstenaar? Het begin van een oeuvre is geen objectief gegeven. Het is door de kunstenaar bedacht om een beeld van zijn oeuvre op te roepen. Geert Bekaert merkt in de openingstekst dan ook op dat over het begin van het oeuvre vaak pas achteraf wordt beslist, en dat het als het ware retrospectief uit de afgeronde productie van de kunstenaar (of architect) wordt afgeleid. In het geval van Giorgio De Chirico, zo blijkt uit Bart Verschaffels ‘herinterpretatie’, liggen de zaken nog extremer: De Chirico heeft zijn oeuvre zelf geconcipieerd opdat de interpretatie van zijn werk – die in het begin van zijn carrière in Parijs werd gemaakt, onder anderen door Apollinaire – zou ‘kloppen’. Hij is zover meegegaan in de interpretatie van zijn werk als profetie van de moderne evaring, dat zijn latere werk alleen nog kon worden geïnterpreteerd als de pijnlijke regressie van een voormalig modernist. Als een archeoloog gaat Verschaffel op zoek naar het eigenlijke begin van De Chirico’s werk, om te concluderen dat die moderne aanhef in zeer oude betekenissen is verwikkeld.

Vanaf de jaren ’60 zijn er steeds meer kunstenaars die zelf ‘decreteren’ wanneer hun oeuvre begint en die alles wat daaraan voorafgaat onbespreekbaar verklaren of vernietigen. Volledig in tegenspraak hiermee liet Philippe Van Snick in de catalogus van Aktuele kunst in België (Museum van Hedendaagse Kunst, Gent, 1979) een uitzonderlijk openhartig curriculum vitae opnemen. Voor Koen Brams en Dirk Pültau meteen een uitnodiging tot een derde opeenvolgend gesprek met de kunstenaar. Daarin maakt Van Snick een onderscheid tussen de leerfase en het ‘echte’ oeuvre. Het ‘begin’ van het kunstenaarschap is evenwel niet ondubbelzinnig te omschrijven. Veeleer lijkt sprake van een voortdurend beginnen of een veelgelaagde start van het kunstenaarschap.

 

Dat brengt ons opnieuw bij Geert Bekaert. Hij stelt niet enkel dat er een verschil is tussen het feitelijke begin van architecten – hun eerste realisatie – en het affirmatieve proclameren van dit begin in een werk of gebouw; hij stelt in dezelfde lijn dat oeuvres meerdere keren kunnen beginnen. Adolf Merckx (de mentor van het Dendermondse culturele initiatief Celbeton) is daar op een andere manier een voorbeeld van: als beginnend publicist heeft hij iets van een eeuwige debutant…

ESSAYS

Het fascinerende begin

Geert Bekaert

Geen glorie zonder tragiek!

Over de trofeefiguur in het oeuvre van Giorgo De Chirico (en Piranesi)

Bart Verschaffel

Portret van de kunstenaar als jongeman

Interview met Philippe Van Snick

Koen Brams, Dirk Pültau

'Mens-zijn, zonder meer, is slechts aan weinigen gegeven'

De briefwisseling tussen Adolf Merckx en Jan Walravens, slot: onrust in Celbeton en publicatiehonger

Carien Gibcus
← back